Groot woordenboek der Nederlandse taal

Nederlands woordenboek (7e druk - 1950)

Gepubliceerd op 01-01-2021

Afschieten

betekenis & definitie

(schoot af, heeft en is afgeschoten),

I. overg.,
1. voortdrijven uit of door middel van een schiettuig : een pijl, een kogel afschieten ; — (fig.) pijlen op iem. afschieten, hem lasteren ; — (fig.) (licht- en bliksemstralen) van zich doen uitgaan, afzenden: toornige blikken op iemand afschieten ;
2. doen afgaan, afvuren : een kruisboog, pistool, geweer, kanon afschieten ; — (Zuidn.) een vuurwerk afschieten, afsteken; — een pistool op iem. afschieten, 'er mee op hem schieten om hem te treffen ;
3. (mensen, dieren of voorwerpen die op een hoogte of verhevenheid staan) daarvan doen aftuimelen door een goed gemikt schot: mussen van het dak afschieten; Teil schoot zijn zoon de appel van het hoofd af ; — (Zuidn.) de vogel afschieten, (fig.) het gewonnen hebben, er bovenop zijn: hij denkt dat hij de vogel (ook hoofdvogel) heeft afgeschoten, dat hij iets buitengewoons heeft verricht;
4. (voorwerpen die aan iets anders vastzitten of een deel van een geheel uitmaken) daarvan afscheiden door ze met een geschoten werptuig te treffen: hij heeft de kop van de papegaai af geschoten ; — ook van ledematen van mensen of dieren : bij Waterloo zijn hem de beide benen afgeschoten;
5. (dieren) doodschieten en daardoor de eigenaar er van beroven : iem. al zijn duiven, eenden enz. afschieten ;
6. (Zuidn.) geld betalen, opdokken : zijn vader heeft veel moeten afschieten, om de zaak klaar te krijgen ;
7.(een ruimte) van de belendende ruimte afscheiden of afzonderen door het aanbrengen van een schot of beschot, een schutting of rasterwerk : ik heb op de zolder een meidenkamertje laten afschieten.

II. onoverg.,

1. (van mensen en dieren, inz. honden) zich plotseling en met snelheid verwijderen van de plaats waar men zich bevindt en elders heen schieten : toen vrij bij het hek kwamen, schoot er een hond van het erf af ;
2. op iem. of iets afschieten, plotseling en snel er op afkomen, haastig of driftig naderen met of zonder vijandige bedoeling;
3. plotseling en snel naar beneden lopen, springen, vliegen of vallen, storten, stromen enz. : eensklaps schoot een arend van de top der rots af en greep het lam ; de hond schoot de heuvel af; — daar ginds schiet de Rijn met snelle vaart van de rotsen af ; — zich stromend verwijderen (van een tak ener rivier);
4.(van voorwerpen die aan iets anders vastzitten) er van losgaan en plotseling afglijden: die knoop is niet genoeg aangehaald : het touw zal afschieten;
5. (van lichtstralen) van een lichtend voorwerp uitgaan, afstralen : de weerglans van het licht schoot met doffe schemering in de spelonk af.