Van Alexander tot Zeus

Door Eric Moormann & Wilfried Uitterhoeve

Gepubliceerd op 08-03-2017

Marcus Curtius Rufus

betekenis & definitie

Marcus Curtius Rufus, die zich in de krijgsdienst reeds had onderscheiden, gaf rond 306 v.C. zijn leven voor Rome. Op het Forum had zich plotseling een kloof geopend. De Romeinen trachtten deze met aarde te dichten, maar zieners hielden hun voor dat dit niet zou lukken, tenzij ze ter plaatse hun grootste goed zouden offeren. Curtius begreep dat hier gedoeld werd op de grootste Romeinse deugd: heldhaftige strijdbaarheid. Hij wijdde zich aan de goden en sprong in volle wapenrusting te paard in het gat, dat zich daarna terstond sloot. Het meertje ter plaatse werd naar hem Lacus Curtius genoemd. De gebeurtenis is in de traditie gesitueerd op het Forum tussen de Curia en de Rostra, langs de Via Sacra.

Aldus Livius en Valerius Maximus, welke laatste Curtius opvoert in een reeks voorbeelden van vrijwillige dood in de paragraaf ‘de pietate erga patriam’ (over de opofferingsgezindheid jegens het vaderland) naast M.I. Brutus in het duel met Arruns, twee leden van het geslacht Decius, Kodros (een mythische koning van Athene, die de dood op het slagveld zocht nadat een orakel had verklaard dat de overwinning zou toevallen aan de partij die haar aanvoerder zou verliezen) en Themistokles.

Curtius is een van de weinige helden uit de republikeinse tijd die in de Romeinse kunst vereeuwigd werden. Op de plaats van het voorval liet Augustus in 9 v.C. een reliëf met Curtius en zijn paard opstellen, met opzet in een archaïserende stijl uitgevoerd, om als voorbeeld voor de burgers te dienen. Volgens Ovidius’ Fasti stond er ook een altaar te zijner ere. Het geheel stelde een heroön voor, een gedenkteken voor een legendarische held. Ook op een enkele gem en op lampen uit de keizertijd in Trier en Xanten werd Curtius afgebeeld.

In de Gesta Romanorum ca. 1300 wordt het faustische element toegevoegd dat Curtius er in het zicht van zijn heldendaad eerst nog een jaar lustig op los leefde, met vrij gebruik van de bezittingen en vrouwen van de Romeinen, maar toch wordt zijn daad ook vergeleken met de offerdood van Christus. In de beeldende kunst verschijnt hij pas in de renaissance. De scène van de sprong, die uitdrukking is van patriottische heldenmoed, maar zich tevens uitstekend leent voor het schilderen van een spectaculaire ‘levade’, waarin het paard zich op de achterbenen verheft, komt in de Italiaanse kunst onder meer voor op een fresco van Pinturicchio van vóór 1492 in het Palazzina della Rovere-Colonna te Rome en op een gravure van Raimondi begin 16e eeuw. In de Villa Turini-Lante te Rome bevinden zich twee taferelen, geschilderd voor 1527. Curtius is daarna vooral populair in het noorden van Italië. Een verloren gegane afbeelding van zijn sprong in de kloof was bijvoorbeeld de enige scène uit de klassieke geschiedenis in de reeks fresco’s met krijgs- en jachttaferelen van Guercino in de Casa Pannini te Cento ca. 1615. Soms zijn er vlammen afgebeeld, op grond van de opvatting dat de aarde zich had geopend door vulkanische werking, zoals door de 13e-eeuwse Magister Gregorius in diens Narracio de mirabilibus urbis Romae was gesteld. Uit Noord-Italië zijn te noemen fresco’s van Fogolino in het Castello del Buonconsiglio te Trente 1532-33, van Grassi 1569 in het Castello te Udine en van Fasolo in Palladio’s Loggia del Capitaniato te Vicenza 1571. Het Kunsthistori-sches Museum te Wenen bezit een plafondschilde-ring van Veronese ca. 1556 (herkomst onbekend) waarop het paard van onderaf wordt gezien. Strozzi schilderde hem ca. 1624 in het Palazzo Centurione di Carpineto te Sampierdarena in de nabijheid van een andere held, Horatius Cocles. Giordano schilderde de heldendaad in enkele versies tussen 1680 en 1683.

In het Duitse taalgebied was het thema vooral in het zuiden populair, onder meer dankzij afbeel-ding en vermelding in Schedels Weltchronik 1493 en 16e-eeuwse gravures van Pencz en Aldegrever. Façadebeschilderingen van Holbein in Bazel en van Stimmer in Schaffhausen zijn verloren gegaan. Een fresco van Bocksberger de Oudere in Schloss Freisaal te Salzburg 1588 (in een reeks ‘gerechtigheidstaferelen’) bleef bewaard. In het kader van een reeks afbeeldingen van martiale daden uit de oudheid in opdracht van Wilhelm iv van Beieren (nu Alte Pinakothek München en Nationalmuseet Stockholm) schilderde Refinger in 1540 de sprong van Curtius in een uitgewerkt stadsgezicht en tevens Horatius Cocles 1537 en Manlius Torquatus ca. 1540. Voorts bevatte de serie, gemaakt voor een onbekend vertrek, de zege van Scipio Maior bij Zama door Breu ca. 1530, Hannibals overwinning bij Cannae door Burgkmair 1528, de belegering van Alesia door Caesar van Feselen 1533. Wilhelms vrouw Jacobaea kreeg als voorbeeld van standvastigheid en kuisheid onder meer Lucretia door Breu 1528, Esther door Burgkmair 1528, Cloelia door Feselen 1529, Verginia en de kuise Suzanna door Schöpfer 1535 en 1537. Toepasselijk is de voorstelling van Curtius in de vlammen op de tegelkachels in Zuid-Duitsland uit de 16e eeuw in combinatie met andere Romeinse heldendaden. In de Lage Landen nam Goltzius dit tafereel op in zijn reeks gravures van Romeinse helden ca. 1586.

Bernini’s ruiterstandbeeld 1669 van Lodewijk xiv, dat bij de geportretteerde niet in de smaak viel, werd in Versailles verbannen naar een uithoek van het park, achter het Pièce d’Eau des Suisses. De sokkel werd rond 1684 door Girardon voorzien van een vlammenrand, zodat het beeld kon doorgaan voor een Curtius in zijn dodensprong. Nog in 1836-42 schilderde Haydon een Curtius van reusachtig formaat.