Gepubliceerd op 21-06-2017

Dik

betekenis & definitie

1. - zijn met iemand,erg intiem, bevriend zijn met iemand. Informele uitdr.

Is heel dik met Jasperina de Jong. (Nieuwe Revu, 13/08/92)

2. - zitten,onder hedendaagse jongeren een populaire uitdr. voor ‘rustig zitten’.
3. -ke/witteflip,koek en ei: ’t is dikke/witteflip met hem.Een uitdr. die al voorkomt bij Boeken- oogen. Flipheeft hier de bet. ‘klein broodje’.
4. -keHarry,uitroep onder jongeren in de zin van ‘bekijk het maar’. Een Harryis in de jeugdtaal ook een invectief voor ‘een niet al te snugger iemand’. Zie ook HarryKnijp.
5. -ke lul/neus/snikkel/tampeloeri/toeter/veter,afwijzende uitroepen of krachttermen om zijn ongenoegen te ventileren, in de zin van ‘vergeet het maar; ik denk er niet aan; mij niet gezien’. Deze uitdr., waarop ongetwijfeld nog verscheidene varianten bestaan, ontstonden in legerkringen en gaan veelal gepaard met het obscene gebaar van de duim tussen de twee voorste vingers (een Oudbabylonische eregroet). Het gebaar kan ook verduidelijkt worden door te zeggen een dikke!of van dittem gemaakt!Bij vonnis van 9 december 1959 besliste de Krijgsraad dat een dergelijk gebaar en het uiten van de woorden een dikkegeen beledigende of schimpende connotatie heeft. De uitdr. dikke lui,vaak met de toevoeging drie bier,wordt in Den Haag en Rotterdam eveneens gebruikt om zijn ongeloof te laten blijken. In de jeugdtaal van de jaren tachtig zijn alle hierboven genoemde uitdr. erg courant.

Bij veterdient nog opgemerkt, dat dit een volkse benaming is voor ‘vulpen, potlood’ (van Duits Feder‘veer, pen’) en vandaar ook een metafoor voor het mannelijk lid. Op de veternemen is dan een slanguitdr. voor ‘copuleren’.

En dat d’r al genoeg ellende - doffe ellende - op de wereld is. Dikke lui jongen. (Arie B. Hiddema: Kassa, 1971)

Het enige lichtpunt is saxofonist Dave Winthrop (ex-Secret Affair). Voor de rest: dikke pik, flauwekul. (Oor, 12/08/81)

Volgens het begeleidende schrijven van Beggars Banquet hebben we hier te maken met een commerciële pop-elpee, waarmee Smith en de zijnen wel eens de indie-hitlijsten zouden kunnen verruilen voor de ‘echte’. Ja, dikke lui drie bier. (Vinyl, 11/11/85)

Vrouwen spreken netter dan mannen omdat ze vrouwen zijn, meer is nog niet aan te tonen, zegt Brouwer. ‘Dikke lui, drie bier!’, riep Bril vertwijfeld uit. (Bril en Van Weelden: Piano en gitaar, 1990) Ik moest dus in een hoekje gaan zitten miezen, dikke lui. (Opzij, januari 1991)

Maar de vaststelling dat partijen hun democratische legitimiteit verliezen, sprak mij aan. En ik hou van Jan zijn stijl: dikke lui, drie bier. (HP/De Tijd, 18/10/91)

Alleen maar achter de wijven gaan en jezelf klem zuipen - dikke lui drie bier - dat is nooit de bedoeling geweest. (Nieuwe Revu, 13/08/92)

Ik zeg niet datje aan elke idiote verlokking moet toegeven, maar je bent een bevoorrecht mens als je hebt liefgehad. Ik hoor soms van die vrouwen bezig die alles zogenaamd op hun carrière zetten. Dikke shit. (Humo, 07/01/93)

Je moet in deze maatschappij van alles, maar je mag niets. Dikke lui. (Playboy, november 1993)

Als hij Dordrecht '90 zou trainen, zou iedereen denken: man, dikke lui, hou je mond. (HP/De Tijd, 16/09/94)

6. -ke mik,heeft niet alleen dezelfde bet. als 5 (nl. ‘bekijk het maar’), maar kan ook opgevat worden in de zin van ‘goed geregeld’. Tussen twee personen kan het eveneens dikke mikzijn. Men bedoelt dan dat genoemde personen erg goede vrienden zijn. Van Dale1992 geeft hierbij als voorbeeld: ‘Zij is dikke mik met de trainer.’ Mikstaat voor ‘een brood’ of ‘een stuk boterham’. Met deze uitdr. wordt eigenlijk verwezen naar de innige verbondenheid tussen brood en beleg. Komt reeds voor in de vertaling van Henry Millers De kreeftskeerkring (1963).

Ik heb net een sigaretje gedraaid. ‘Dikke mik, zeg!’ (Boude wijn Büch: Links, 1986)

Over twee weken is dat dikke mik met mekaar, dat zeg ik je. (Willem Bijsterbosch: Ketser de Neger, 1990)

Ze had zo haar twijfels over de muziek van de Dolly Dots. ‘Ik zat in de rock ’n roll en de punk. Maar ik heb ze leren kennen: dikke mik.’ (De Volkskrant, 02/02/91)

De auteursrechtenorganisatie Buma/Stemra bleek zeer gecharmeerd door die ideële opzet van RNN en zal het station dan ook financieel ondersteunen. Dikke mik, denk je dus. (Nieuwe Revu, 24/10/91)

Braun wil alleen maar dikke mik zijn met Van Thijn. (Het Parool, 08/02/92)

Met moeder de vrouw is ’t trouwens na 25 jaar huwelijk ook nog steeds dikke mik. (HP/De Tijd, 07/08/92)

7. -kepret,erg grappig; heel leuk. Vooral gangbaar als tieneridioom. Vaak ook ironisch.

Als je ervoor kunt zorgen datje met je favoriete vriendinnen op één kamer terechtkomt, kun je op je vingers natellen dat het dikke pret wordt. (Pop- foto, april 1987)

8. -keshit,uitroep onder jongeren, te pas en te onpas gebruikt om zijn boosheid uit te drukken. Vervangt de in die kringen als ouderwets ervaren krachttermen van het niveau drommels; duivelsof verduiveld.Dit is ook één van de weinige krachttermen die - zij het slechts gedeeltelijk, in het Nederlands - gebaseerd is op de stoelgang. De meeste vloeken verwijzen naar het Opperwezen en Satan. Dikke shit wordt in de hedendaagse jeugdtaal ook gebruikt in de zin van ‘herrie’.
9. -kesoep,soldatenslang voor ‘een gevaarlijke toestand; een riskante onderneming’. Ontstaan in Ned.-Indië, maar teg. ook buiten le- gerltringen gehoord. Couranter is evenwel linke soep.
10. -ke sorie; maak geen -ke sorie,stel j e toch niet aan; maak toch niet zo’n drukte. Volgens Endt en Frerichs komt sorieuit het Hebreeuws, waar het een veelvoorkomende vrouwennaam zou zijn (Sara).Toch denken de auteurs dat er ook een anekdote aan deze uitdr. ten grondslag ligt. Men kan zich ook de vraag stellen of er geen verband bestaat met Bargoens sores ‘zorgen’, dat eveneens uit het Hebreeuws komt: tsore‘leed’?

... maak gein dikke sorie en kom aufer de brug met je goudpleister... (Leonhard Huizinga: Adri- aan met Olvier natuurlijk, 1977)

11. hem - hebben,soldatenslang voor ‘er genoeg van hebben’. Met een erotische bijgedachte.
12. maak je geen -ke voeten, zie voet.
13. maak je niet-, dun is de mode,maak je niet

boos; wind je niet op. Zich dik makenin de zin van ‘zich boos maken’ treffen we al aan bij Harrebomée. In de 17de eeuw kende men gelijkbeduidend zich groot maken.

Maak jij je niet zoo dik!... dun is de mode! (Israël Querido: Levensgang, 1901)

Maak je niet dik, dun is de mode. (Harry Mulisch: De verteller, 1970)

14. op - gaan,slanguitdr. voor ‘zwanger worden’. Vgl. een buik met benen hebben.

< >