Oosthoek 1916

Nederlandse encyclopedie, uitgegeven van 1916-1925.

Gepubliceerd op 19-01-2019

Zand

betekenis & definitie

Zand - bestaat uit die afbraakproducten der gesteenten, welke fijner zijn dan grind en grover dan klei. Het kan in korrelvorm alle mineralen bevatten, welke als bestanddeel in de oorspronkelijke gesteenten voorkomen. Tijdens het transport heeft echter een steeds voortgaande verkleining en oplossing plaats, zoodat de meer weerstandbiedende mineralen steeds meer gaan overheerschen. Als regel bestaat zand daarom in hoofdzaak uit kwarts.

Er zijn echter tal van afwijkingen ; in de eerste plaats, omdat het uitgangsgesteente arm kan zijn aan kwarts, in de tweede plaats omdat door een natuurlijk scheidingsproces plaatselijk b.v. de zware bestanddeelen geconcentreerd kunnen worden. Zoo kan men soms op ons strand plekken aantreffen, welke zeer rijk zijn aan granaat, doordat ten gevolge van plaatselijke, en gewoonlijk ook tijdelijke, omstandigheden de getijden de lichtere kwartskorrels hebben weggespoeld. Elders komen magnetiet-, ilmeniet-, monaziet-, edelsteen- en andere zanden voor. De kleinere korrelgrootte en den meer afgeronden vorm tegenover rivierzand danken de korrels van zee- en duinzand aan het voortgezette transport en het heen- en weerrollen. Bij transport door stroomend water houdt trouwens voor kwarts bij een grootte van 0.01 m.M. de verkleining en afronding op, omdat zulke kleine korrels niet rollend, maar zwevend vervoerd worden. Bij windtransport worden ook de kleinste korrels nog steeds verder afgerond. Bij het onderzoek van z. kan men met voordeel gebruik maken van een scheiding met behulp van bromoform, een vloeistof met S. g. van 2.9, waarop kwartskorrels — ook trouwens de veldspaatkorrels — drijven, maar waarin alle korrels van kenmerkende zware mineralen, zooals granaat, magnetiet, pyroxeen, amfibool, zirkoon, apatiet zinken. Het gehalte aan „zware metalen” op zich zelf is reeds een kenmerk voor het z.