Oosthoek 1916

Nederlandse encyclopedie, uitgegeven van 1916-1925.

Gepubliceerd op 17-01-2019

Veen

betekenis & definitie

Veen - een sediment, dat ontstaan is door afgestorven en afgevallen plantendeelen en waarvan de lagen bestaan uit een ophooping van koolstofrijke plantenstoffen, door gedeeltelijke ontleding gevormd. Naar de omstandigheden, waaronder zich venen hebben gevormd, onderscheiden wij hoogveen en laagveen, waarvan het laatste overgaat in het hoogveen door het moerasveen-stadium. Voor de vorming van laagveen is ten eerste noodig, dat de planten kunnen wortelen in een bodem, waarin haar een vrij groote hoeveelheid minerale zouten ter beschikking staat, of dat zij leven in water, waarin voldoende van die stoffen zijn opgelost (eutrophe planten); bovendien is noodig, dat de afgestorven plantendeelen van de lucht worden afgesloten, zoodat zij niet totaal kunnen vergaan. Hierdoor wordt dus verkregen, dat op de oudere plantenresten, welke eerst nog slechts in geringe mate zijn veranderd, zich telkens weer nieuwere kunnen ophoopen, terwijl het proces van veenwording geleidelijk voortschrijdt.

Wij zien derhalve, dat laagveen voornamelijk in plassen met stilstaand water gevormd wordt. Verder kan het zich vormen in rustig stroomend water en bovendien daar, waar de bodem drassig is, zooals op berghellingen, waar kleine bronnen aan den dag treden en voldoende vocht leveren om de planten te doen groeien en tevens na het afsterven de resten aan de lucht te onttrekken. In vele gevallen wordt laagveenvorming in plassen ingeleid door de ophooping van resten van lagere organismen, voornamelijk tot het plankton behoorend, daar de hoogere planten zich in de diepere gedeelten niet kunnen ontwikkelen. Terwijl de resten van deze lagere organismen, waaraan men den naam sapropelium of rottingsslik heeft gegeven, zich dus ophoopen, dringen van de randen van de plas af de gewone waterplanten, zooals : waterscheerling, fonteinkruid, waterlelie, gele plomp, watergentiaan, enz. gevolgd door lischdodde, paardestaarten, riet, waterklaver, biezen en andere, naar het midden voort, terwijl weer andere planten, welke meer tot de oeverflora behooren, zooals zeggesoorten hen weer volgen. De bodem is geleidelijk geschikt geworden voor het optreden van enkele boomen en struiken, waaronder in de eerste plaats gagel, els, berk, enkele wilgen en hazelaar genoemd kunnen worden, terwijl daartusschen de lisch, grassoorten, hop, brandnetel en andere planten voorkomen. Deze plantenformatie behoeft voor zijn ontwikkeling wel is waar tamelijk veel voedsel, doch minder dan de vorige, waarvan zij als de mesotrophe plantenformatie is onderscheiden. Zij vormen het moerasveen. De bodem is ondertusschen steeds hooger geworden en daarbij ook droger, terwijl steeds minder zouten ter beschikking zijn.

Nu treden op de den, de linde en de eik, die later op hun beurt te gronde gaan. Kenmerkend is, dat de wortels van deze boomen horizontaal groeien, evenals wij dit aantreffen bij de steenkoolplanten. Het hout van deze boomen, dat nog in het veen gevonden wordt, wordt kienhout genoemd. Het bosch, misschien te gronde gericht door de opkomende mosvegetatie, wordt opgevolgd door de plantenformatie, welke met heel geringe hoeveelheden zouden kunnen volstaan (oligotrophe planten). Hieronder zijn heideplanten, Scheuchzeria en veenmossen karakteristiek. Vooral de laatste zijn van belang voor de ontwikkeling van het hoogveen, daar zij door hun bouw bijzonder geschikt zijn, het water vast te houden. Wij zien dus het eigenaardige, dat het water in het hoogveen opgevoerd wordt tot een veel hooger niveau dan aanwezig is in het open water van de omgeving. De groei van het veen is dus langzamerhand onafhankelijk geworden van het niveau van het water uit de omgeving.

Zelfs zien wij op lagere plekken midden op het veen herhaaldelijk waterplassen optreden, welke door kleine beekjes (sijpers) haar overtollig water afgeven. De meeste beekjes uit het Oosten van Drente en Groningen zijn ontstaan uit zulke sijpers. In het hoogveen is op verschillende plaatsen tusschen het z.g. jongere mosveen (de bovenste laag van het hoogveen en tevens het minst veranderde deel) en het oudere, meer veranderde, mosveen een laag waar te nemen, welke bekend is als de grenslaag van Weber. Voor een groot deel bestaat deze uit wollegras en struikheide; zij heeft volgens Weber haar ontstaan te danken aan een periode van droogte. Wordt een v.-ontwaterd, dan sterft het, d. w. z. de veenmosvegetatie gaat te gronde en in de plaats daarvan treden weer heideplanten, wollegras e. a. De groei houdt dan tevens op. Terwijl derhalve in groote trekken het voorafgaande de geheele ontwikkelingsgang is, waardoor een plas in hoogveen overgaat, kunnen wij ook hebben, dat de ontwikkeling eerder is blijven staan, doordat b.v. de mensch heeft ingegrepen, hetgeen bij al onze laagveenstreken het geval is, terwijl ook hoogveen kan zijn gevormd, zonder dat een laagveen-stadium vooraf is gegaan. Dierlijke resten komen bij ons in het veen zeer ondergeschikt voor en dan nog zijn het meest chitinepantsers van insecten, enkele horens van oeros, geweien van herten en een enkele maal menschenlijken, waarvan de huid is gelooid, terwijl het beenderenstelsel vrijwel geheel is verdwenen. Mineralen zijn eveneens spaarzaam.

Het zijn behalve enkele zandkorreltjes, doppleriet, vivianiet, limoniet (ijzeroer) en sideriet (witte klien, ijzercarbonaat); de ijzermineralen worden steeds gevonden in het laagveen en in het moerasveen. Ook moet vermeld worden het bestaan van z.g. veenbruggen en het voorkomen van gebruiksvoorwerpen van een voorhistorische bevolking. Veen kan zich op elke geografische breedte, waar plantengroei is, ontwikkelen, zoowel in Noordelijke streken, als in de tropen en in gematigde zones; slechts zullen wij mogen verwachten, dat in de plantenformaties, welke de venen opbouwen, overal ten gevolge van de klimatologische toestanden zekere variaties zullen zijn waar te nemen. Oudtijds strekte zich in ons land hoogveen over een groot gebied uit, voornamelijk in het Zuiden van Groningen, in Drente, in het Oosten van Friesland, in het Noorden en Noord-Oosten van Overijsel en in de Peel, terwijl overigens nog enkele kleinere plekken werden aangetroffen. Door afgraving is het voor een zeer groot deel verdwenen, terwijl in plaats daarvan welvarende veenkolonies zijn verrezen.

Vroeger vond ontginning voor een groot deel plaats door branden voor het verbouwen van boekweit. Laagveen komt aan de oppervlakte vóóral voor in Groningen, Friesland, Drente en Overijsel, N.- en Z.-Holland en Utrecht en overigens een weinig in verschillende andere provincies. Langs de Noordzeekust is het voor een groot deel bedekt door de duinen, terwijl het elders weer onder alluviale klei ligt. Overigens worden ook oudere, diluviale venen aangetroffen. Bijzonder verdienstelijk heeft zich in ons land Staring door zijn veenstudies gemaakt, terwijl van de vele buitenlanders o. a. Potonié, Weber, Früh en Schröter zijn te noemen.