Haar betekenis & definitie

Haar - (bij den mensch). Haren zijn organen van de opperhuid (zie HUID). Zij ontstaan zoo, dat er zich van de opperhuid een klein aantal cellen naar binnen woekert en aan het einde een klein knopje vormt. Het omgevende bindweefsel groeit dan hierin en vervormt het knopje tot een napje ; er is een haarpapil ontstaan.

De cellen, die deze papil bedekken, zijn de cellen, waaruit het eigenlijke haar door verhoorning ontstaat, zij vormen dus de moederlaag voor de haarcellen (verg. HUID). De verhoornde cellen schuiven naar boven toe, totdat zij de oppervlakte bereiken en te voorschijn treden.De opperhuidcellen, die het zoo ontstane haar omgeven en ook het bindweefsel daaromheen, dat zich rangschikt, vormen te zamen de wortelscheede van het h.

Het eerste haarkleed, dat het geheele lichaam bedekt met uitzondering van de handpalm en de voetzool, is bij een embryo van 4 maanden aanwezig; het is z. g. primaire haarkleed of lanugo. Reeds vóór de geboorte maakt dit op bepaalde deelen van het lichaam voor een tweede haarkleed plaats, dat uit langere en dikkere h. bestaat, het secundaire haarkleed of kinderbeharing. Hierbij wordt de lanugo op het hoofd, de wenkbrauwen en de oogharen door de grootere haren vervangen. Het derde z.g. terminaal haarkleed begint zich eerst in de puberteitsjaren te ontwikkelen als oksel- en schaambeharing, terwijl er bij den man nog de baardbeharing bijkomt. Soms kunnen grootere deelen van het lichaam, borst en ledematen vooral, met een terminaal haarkleed bedekt worden.

De h. bij den volwassene zijn draadvormige organen, die het geheele lichaam met uitzondering van handpalm, voetzool, lippenzoom en rugzijde van de eindkootjes der vingers bedekken. Zij dienen als beschutting en versiering en hebben, door hunne verbinding met het zenuwstelsel, ook als gevoelsorganen groote beteekenis.

Men onderscheidt naar den vorm drie haarsoorten, n.l. wolh. of lanugo, stijve h. of borstelh., zooals de wenkbrauwen en oogh., en lange h., zooals het hoofdh. Het aantal h. is zeer groot. Men rekent voor het hoofdh. van blondines 140.0Ó0, van brunetten 102.000 en van roode menschen 88.000 h. Het eigenlijke h. bestaat uit een vrij uit de huid komend deel en den wortel. Het h. is opgebouwd uit een mergweefsel, een schors en een uiterst dun opperhuidje. Het merg bestaat uit ronde mergcellen; de schors uit afgeplatte cellen, waarin verschillende hoeveelheid kleurstofkorreltjes worden gevonden, die aan het h. de kleur geven, terwijl het opperhuidje een uiterst dun vliesje is van een laag zeer platte cellen. Het onderste einde van den wortel is aangezwollen ; hier komt de voortdurende nieuwvorming van cellen tot stand, die het h. doen groeien. De haarbalg, die het h. omgeeft, bestaat gedeeltelijk uit epitheel, gedeeltelijk uit bindweefsel. Het bindweefsel vormt ook de haarpapil, waarin een kluwen van bloedvaten mede voor de voeding van het h. zorg draagt.

Wanneer kleurstof in het h. ontbreekt, dan spreekt men van albinisme. Op ouderen leeftijd verdwijnt ook de kleurstof uit het h., doch dan komt er in de cellen van het merg en van de schors lucht, het haar wordt een aero-epitheel. Dan worden de h. grijs. Met elk h. zijn een kliertje en een spiertje verbonden. Het eerste is een talgklier. Deze klier produceert een vetachtige stof, die uit vervette cellen bestaat, en die het h. invet. Het spiertje bestaat uit glad spierweefsel. De samentrekking van deze spiertjes kunnen wij dus niet willekeurig tot stand brengen; komt er samentrekking tot stand onder invloed van allerlei prikkels, dan richten de h. zich op en treedt het z.g. kippevel op.

Bij vele h. vertakken zich rijkelijk zenuwtjes, zoodat zij een zeer groote gevoeligheid bezitten. De tastharen van dieren zijn in dit opzicht uiterst gevoelige organen. H. hebben slechts een beperkten levensduur. De hoofdh. worden ongeveer 4 jaar oud ; voor de oogh. bedraagt de levensduur slechts 100 dagen. Dan valt het haar uit en wordt door een ander vervangen, dat op dezelfde papil ontstaat. Op ouderen leeftijd houdt deze vervanging op en dan ontstaat vooral het kale hoofd. Bij den man geschiedt dit sneller en in sterker mate dan bij de vrouw. Het verschijnsel van het karakteristieke kale hoofd, de „glatze”, komt niet alleen bij kultuurvolkeren, doch ook bij natuurvolken voor.

De vorm van het h. is afhankelijk van den vorm der doorsnede. Naarmate deze vorm meer een cirkel is, is het h. meer recht. Het gekroesde h. b.v. van negers is meer ovaal op doorsnede, en is in verband daarmede ook ietwat anders ingeplant. De kleur van het h. is een anthropologisch kenmerk van groote beteekenis. De kleuren, door Virchow aangegeven, zijn: blond, lichtbruin, donkerbruin, zwart en rood. Rood haar is niet een nuance van blond, doch inderdaad een afzonderlijke kleur; het komt bij verschillende rassen in ongeveer gelijk percentage voor. Voor de verdeeling der haarkleuren in Nederland zie NEDERLAND, Anthropologie.

Verzorging van het h. De verzorging geschiedt het beste op eenvoudige wijze met kam en borstel. Reinheid van h. en daarondergelegen huid verkrijgt men door wassching met water en zeep, eventueel wat sterk verdunde zeepspiritus, terwijl men daarna door invetting voor de broosheid kan zorgen. Sterk winden door papillotten, branden met het friseerijzer kunnen op het h. een schadelijken invloed uitoefenen. Bepaalde middelen tegen het uitvallen van h. (afgezien van ziekten) kent men niet, al worden er vele onder schoonklinkende namen aangeprezen. Het schijnt, dat hoofdbedekkingen, die waterdicht zijn en daarom de verdamping beletten, op het uitvallen een ongunstigen invloed uitoefenen.

Kleuren van haren is gevaarlijk, omdat de kleurstoffen, die daarvoor aangewend worden meestal vergiften (lood!) bevatten. Bij kleuren van de h. wordt de kleurstof natuurlijk op het h. gebracht, terwijl de natuurlijke kleur i n het h. gezeteld is. Kleuring moet daarom steeds herhaald worden. H., die op ongewenschte plaatsen zich ontwikkelen, kunnen op verschillende wijzen verwijderd worden, door z.g. ontharingsproceduren (zie ONTHARING). De meest voorkomende ziekten der haren zijn: alopecie, favus en seborrhoea.

Menschenhaar vormt ook een belangrijk handelsartikel; vooral door China worden groote hoeveelheden zwart h. over de geheele wereld geleverd. Deze soort geldt evenwel als minderwaardig, en brengt slechts ƒ 5.— tot ƒ10.— per K.G. op. Europeesch h., meestal van vrouwen afkomstig, vertegenwoordigt grootere handelswaarde (tot ca. / 200.— per K.G.) al naar de lengte, kwaliteit en kleur. Vooral van nature bruin, en in het bijzonder, wit h. is zeer gezocht, en wordt daarom veelal vervalscht, hetzij door dierlijk h. (o. a. van geiten) en door kunstzijde, of wel doordat h. van andere kleur langs chemischen weg gekleurd of gebleekt wordt. H. van lijken verliest spoedig zijn glans en soepelheid, en is daarom minderwaardig. De hoofdmarkt voor h. is Parijs (omzet opgegeven op ca. 130.000 K.G.), de voornaamste afzetgebieden zijn Engeland en Amerika. Het h. dient begrijpelijkerwijze in hoofdzaak voor de vervaardiging van pruiken. (Zie ook PAARDEHAAR).

(Bij de huisdieren). Bij de huisdieren komen allerlei kleuren voor : bij het varken wit, rood en zwart, bij schapen en geiten meest zwart en wit, bij runderen zwart, wit, rood en vaal. Bij den hond, meestal ook zwart, wit, bruin en rood. Bij de kat dezelfde kleuren. Het meeste verschil in kleur komt bij het paard voor en hier is de kleur van invloed op de handelswaarde. Bij het opmaken van het signalement is het van belang, de kleur juist aan te geven. Wij onderscheiden effen of eenkleurig haar en gemengd of samengesteldkleurig haar. Tot de effen kleuren behooren : rood (vos) bruin, zwart, geel, isabella, vaal en wit.

Bij vossen zijn manen en staart steeds gekleurd, bij bruinen zwart. Vooral bij vossen en bruinen komen allerlei nuanceeringen voor, en iedere nuanceering wordt met een naam aangeduid ; b.v. lichte vos, leemvos, goudvos, roodvos, kopervos, sabelvos, brandvos, bruinvos, zweetvos, zwartvos, koolvos, lichtbruin, goudbruin, reebruin, kersbruin, roodbruin, kastanjebruin, appelbruin, donkerbruin, zwartbruin. Wat de gemengde kleuren betreft onderscheiden wij het stekelhaar (met het bruine, roode of zwarte haar witte gemengd, doch zoo dat zij niet de overhand hebben) en het schimmelhaar (waar het wit overheerscht). Men onderscheidt onveranderlijk en veranderlijk schimmelhaar, het laatste wordt met het toenemen van den leeftijd witter, het eerste niet. Verder kennen wij tijgerhaar, bont haar. Het bezit van een haarkleed is een der meest karakteristieke kenmerken van de zoogdieren („haardieren” van Oken). Het ontbreekt slechts bij zeer enkele walvischachtigen geheel.

Wel zijn er verscheidene haararme zoogdieren (olifant, neushoorn, nijlpaard, walvisschen, enz.), maar bij deze dieren is het haarkleed in meer of mindere mate gereduceerd. Men onderscheidt twee soorten van haren : de bovenharen — lang en recht — en het kortere, dunne, gewonden onder- of wolhaar. Daarenboven komen aan de bovenlip van vele zoogdieren nog tast- of sinusharen (vibrissae) voor; zulke snorharen, die in dienst van den gevoelszin staan, vindt men vooral bij onderaardsch of in kreupelhout levende dieren. Tastbaren kunnen ook elders optreden, bijv. boven het handgewricht, bijv. bij den leeuw — of aan den buik — bijv. bij het eekhorentje. De beteekenis van het haar is vooral deze, dat het, als slechte warmtegeleider, beschermt tegen afkoeling en snelle temperatuurwisseling ; vooral het wolhaar heeft deze functie en dit is dan ook bij dieren, die in lage temperaturen leven, zeer sterk ontwikkeld. Maar ook tegen andere uitwendige schadelijke invloeden kan het dienst doen (bijv. bescherming tegen verwonding en regen) ; vandaar dat vele in de tropen levende dieren een sterke beharing toonen kunnen (luiaards, halfapen, enz.). Worden haren stijver en dikker, dan ontstaan borstels (zwijn) en ten slotte stekels (egel, stekelvarken), die bestemd zijn voor verdediging.

Eveneens tot bescherming, en wel vooral met eigen soortgenooten, treden bij vele mannelijke dieren manen en bakkebaarden op (leeuw en vele andere kattensoorten). Welke waarde moet gehecht worden aan het bezit van manen bij andere dieren, als het paard, den gnoe, enz., is niet bekend. Veelal komen in dit geval manen slechts bij mannetjes voor en moeten zij gerekend worden onder de secundaire geslachtskenmerken (de baard der bokken, de manen van het wilde schaap, de „mantel” van vele apen, enz.). De lange staart van haren bij de eenhoevigen dient als afweermiddel tegen insecten.

Bij vele roofdieren kunnen de rugmanen worden opgericht (wolf, hyaena), wat bij aanval geschiedt en waardoor de dieren hunne tegenstanders imponeeren (?).

Bij zoogdieren vindt steeds haarwisseling plaats, die voortdurend kan zijn of periodisch kan optreden (dun zomer-, dik winterhaar). Eigenaardig is de zorg, met welke vele zoogdieren hun haarkleed behandelen (het likken van de haren bij katten; het reinigen van de huid met de handen door muizen). Somtijds zijn hiervoor speciale organen aanwezig (kamvormige snijtanden bij halfapen). De kleur van het haar is zeer verschillend, maar komt in vele gevallen min of meer overeen met die der omgeving, zooals met kleuren der dieren zoo dikwijls het geval is. Hiermede gaat samen, dat het zomerhaar in den regel anders gekleurd is dan het winterhaar; zoo is het zomerhaar bij in koude streken levende dieren vaak donker en het winterhaar wit of geel. Waarschijnlijk is de gestreepte huid de meest oorspronkelijke; uit deze heeft zich de gevlekte teekening ontwikkeld en ten slotte de gelijkmatige. Eigenaardig, en wellicht nog een herinnering hieraan, is het feit, dat jonge dieren een gestreepte huid kunnen toonen, die bij den groei door de gevlekte naar de gelijkmatige kan gaan (wilde zwijn).