Oosthoek 1916

Nederlandse encyclopedie, uitgegeven van 1916-1925.

Gepubliceerd op 17-01-2019

Staat

betekenis & definitie

Staat - de eenheid, welke de bewoners van een bepaald grondgebied onder een hoogste (souverein) gezag omvat. Omtrent oorsprong en rechtsgrond van het staatsgezag loopen de meeningen zeer uiteen. Rousseau zoekt beide in een overeenkomst tusschen de bewoners (contrat social) en besluit daaruit, dat de souvereiniteit in den staat bij het volk berust. (Zie VOLKSSOUVEREINITEIT). Anderen, zooals hier te lande de Anti-revolutionnairen, leiden het staatsgezag af uit Gods wil (vergel. de woorden „Bij de Gratie Gods, Koningin der Nederlanden” in het formulier van afkondiging onzer wetten en K. Ben.), weer anderen uit het recht, dat het geroepen is te verwezenlijken (leer der rechtssouvereiniteit).

Ook wordt de oorsprong van het staatsgezag wel eenvoudig gezocht in de macht, welke de staat bezit. — Het staats- of overheidsgezag is te onderscheiden, naar gelang het gecentraliseerd door het rijk of gedecentraliseerd door de onderdeelen daarvan (provinciën, gemeenten, waterschappen) wordt uitgeoefend. Dikwijls bedoelt men met den s. in het bijzonder het centrale gezag. Zie BURGERLIJKE STAAT, BEZIT VAN STAAT, VERDUISTERING VAN STAAT.