Oosthoek 1916

Nederlandse encyclopedie, uitgegeven van 1916-1925.

Gepubliceerd op 10-01-2019

Leven

betekenis & definitie

Leven, - in den strengen zin, is een psychologisch begrip. Uitwendige waarneming kan ons alleen veranderingen en bewegingen van bepaalde, een zekeren vorm en structuur bezittende, ruimtedingen leeren kennen. Wat leven is, weten wij door inwendige waarneming, door ons zelfbewustzijn. Uit ons „zelf” dragen wij de eigenschap „levend” over op andere ruimtedingen (planten, dieren, medemenschen) in welke wij dan ook een al is ’t nog zoo zwak, analogen van een „zelf” een inwendig bewegingsprincipe aannemen, krachtens hetwelk het levend ding zich tegenover zijn omgeving in stand houdt en die omgeving tot middel van zijn existentie maakt.

Ons eigen levensbegrip tot maatstaf nemend, constateeren wij in de natuur hoogere en lagere trappen en vormen van leven. Fysiologisch is een levend wezen een ding, dat bij voortdurende stofwisseling gedurende een zekeren tijd een bepaalden vorm en structuur bewaart, waarbij het wezens van dezelfde soort uit zich doet ontstaan en zelf meestal een geleidelijke verandering van jong-zijn tot oud-zijn doorloopt, totdat het (bij het sterven) zijn vorm verliest en door de inwerking der algemeene fysische en chemische krachten ontbonden wordt. Zulk een wezen heet organisme. Elk organisme is opgebouwd uit elementen, de levende cellen. De stofwisseling der cel bestaat in dissimilatie en assimilatie, waarbij door verschillende chemische processen levende stof uiteenvalt en opnieuw gevormd wordt. De zoogenaamde vegetatieve functies van voeding en voortplanting zijn aan alle levende wezens gemeen. De planten hebben wel de eigenschap om op mechanische, chemische en fysische prikkels op bepaalde wijze te reageeren (irritabilileit, tropismen) maar geen eigenlijk actieve beweging. Zij behoeven zich ook niet van haar standplaats te verwijderen, daar zij in de lucht en den bodem haar voedingsstoffen vinden.

Het dier daarentegen moet het plantenvoedsel zoeken en andere dieren, die het ook zoeken, vermijden of bestrijden. Zoo worden organen vereischt voor de animale functies, waardoor het dier met zijn nadere of verdere omgeving betrekkingen onderhoudt, nl. zintuigen, spieren en zenuwstelsel. Hoe hooger wij in het dierenrijk opklimmen, des te grooter beteekenis krijgt het zenuwstelsel en des te rijker en gedifferentieerder wordt het bewustzijn, daar de wisselwerking met de buitenwereld zich steeds meer uitbreidt en dus steeds minder direct en oogenblikkelijk wordt. De animale bewegingen zijn te onderscheiden in 1. automatische (ademhaling, bloedsomloop), 2. reflex- en 3. willekeurige bewegingen. De laatste zijn bewust en worden bepaald door een keuze. Bij de menschen spreken wij dan van „handelingen”, bestuurd door redelijk denken. — Met de bestudeering van de levensverschijnselen houden zich voornamelijk bezig : anatomie, fysiologie, algemeene biologie, psychologie en filosofie. Nu is er zonder twijfel in het leven iets, wat zich aan alle verklaren en begrijpen onttrekt, wat door de begrippen van geen der genoemde wetenschappen te benaderen is, daar het oorspronkelijker is dan alle begrip. Aan den anderen kant vormen de fysische levensverschijnselen en levensopenbaringen in onze tijd-ruimtelijke werkelijkheid zeer zeker een probleem voor ons begrijpend denken, en dit heeft dan ook reeds gewichtige resultaten bereikt, vooral in de laatste eeuw, nadat men zich over de methode van onderzoek en de onderlinge verhouding der verschillende wetenschappen klaarder bewust is geworden.

Langen tijd hebben de verwarde tegenstellingen psychisch-fysisch, bewust-onbewust, mechanisch-teleologisch zeer belemmerend gewerkt en zij doen dit ten deele nog. Kenkritische en methodologische overwegingen verbieden de natuurwetenschap, die zich aan het ruimtelijk-waarneembare houdt, om direct geestelijke, psychische factoren als oorzaken van bewegingen of bewegingsveranderingen der organismen in rekening te brengen. De fysiologie beschouwt de levensfuncties als resultaat van fysisch-chemische processen zonder zich daarbij ergens te beroepen op een bijzondere „levenskracht”. Haar verklaringswijze is causaal-mechanisch. Aan den anderen kant dringt het begrip organisme (orgaan = werktuig) de voorstelling „doel” en „doelmatigheid” onafwijsbaar op. En nog afgezien van het feit, dat de mechanistische biologie van de geestelijke verschijnselen, die toch waarlijk ook levensopenbaringen zijn, in ’t geheel geen notitie neemt, rijst de vraag of door mechanische causaliteit ook het ontstaan van het leven en de wonderbaar doelmatige bouw der organismen kan worden verklaard, en b.v. de problemen van ontwikkeling en erfelijkheid kunnen worden opgelost. Deze vraag wordt door het Neo-Vitalisme nadrukkelijk ontkennend beantwoord.

Dit neemt aan : een eigen wetmatigheid (autonomie) des levens, de doelmatige teleologische werkzaamheid van bepaalde organische factoren, die verschillend gedacht worden. Driesch heeft den aristotelischen naam „entelechie” weer in eere gebracht, Reinke spreekt van „dominanten” (richtende, heerschende krachten), volgens de psychovitalisten (b.v. Fraticé) zijn psychische factoren (behoeften, strevingen, enz.) de oorzaken van doelmatige vormen en reacties. Groote verwarring zou in dezen strijd tusschen mechanisme en teleologie voorkomen zijn, wanneer men had ter harte genomen wat Kant aangaande de „regulatieve” functie der Idee heeft in het licht gesteld. Het verklaren der levensverschijnselen wordt nu eenmaal bepaald door de perken van ons menschelijk kenvermogen. Kant merkt op (Kr. d. U. § 80): „Het is redelijk, ja, verdienstelijk: het natuurmechanisme bij de verklaring der natuurproducten zoover te vervolgen als het met waarschijnlijkheid geschieden kan, ja, deze poging niet daarom op te geven, omdat het op zichzelf onmogelijk is om zoo met de doelmatigheid der natuur samen te treffen, maar slechts daarom, omdat het voor ons als menschen onmogelijk is”. De biologie heeft „het doel” te beschouwen als een regulatief principe en moet dus zoo te werk gaan „alsof” de natuur de wezens zoo georganiseerd had, dat een bepaald doel bereikbaar werd.