Oosthoek 1916

Nederlandse encyclopedie, uitgegeven van 1916-1925.

Gepubliceerd op 17-01-2019

2019-01-17

Schout

betekenis & definitie

Schout - vroeger een ambtenaar, vertegenwoordiger van den landsheer in de schoutengerechten ; te zamen met schepenen oefende hij civiele en voluntaire jurisdictie; hij had behalve rechtsprekende ook bestuursfuncties, en is te vergelijken met den hedendaagschen burgemeester, commissaris van politie, president van een waterschap, officier van justitie. In zijn bestuursfuncties werd hij door ambachtsbewaarders, heemraden, gezworenen, of hoe zij geheeten mogen hebben, ter zijde gestaan. Oudtijds was hij in allerlei zaken, ook die nu niet als rechtszaken zouden worden aangemerkt, de rechtsvorderaar. Hij vorderde recht; schepenen of heemraden wezen recht.

Bekend zijn de seriën vragen en antwoorden, die daarbij te pas kwamen, en die men opteekende in z.g.n. dingtalen, waarvan er in deze en de voorgaande eeuw en ook reeds vroeger vele in druk zijn uitgekomen. In crimineele zaken, dat zijn de zwaardere strafzaken, heette de vertegenwoordiger van den landheer gemeenlijk baljuw. Zie verder op SCHULT en SCHULTENGERECHT.