Wat is de betekenis van Baljuw?

2019
2022-01-20
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

baljuw

baljuw - Zelfstandignaamwoord 1. (beroep) ambtenaar binnen het stadsbestuur, veelal belast met de rechtspraak Woordherkomst Van Latijn baiulare (torsen, dragen), nl. het dragen van een ambt.

Lees verder
2016
2022-01-20
Robbert-Jan Willeboordse

Afgestudeerd in de geschiedenis (MA)

Baljuw

Een baljuw was een vertegenwoordiger (of zelfs verpersoonlijking van de vorst) ter plaatse. Het was een ambtenaar die voornamelijk optrad als gerechtsofficier: hij oefende toezicht uit op de rechtsgang, zat de rechtbank voor en bracht de vonnissen ten uitvoer. Ook bekend als schout of amman. Hoewel de baljuw in eerste instantie het persoonlijk dome...

Lees verder
1994
2022-01-20
Vreemde woorden

Woordenboek vreemde woorden

Baljuw

[OFr. baillif = wachter, magistraat (vgl. OFr. bailler = in handen geven; baillir = beheren), van VLat. bajulivus, van Lat. bajulare = torsen, bajulus = sjouwer, drager, vandaar kan de betekenisontwikkeling zijn geweest: hij die iets in handen heeft gekregen] (gesch.) ambtenaar in graafschap,...

Lees verder
1994
2022-01-20
Lexicon Nederland en België

Lexicon van de geschiedenis van Nederland & België

Baljuw

Baljuw (Laatlat. balivus, hofmeester), vertegenwoordiger van de landsheer of heer van een hoge → heerlijkheid. Vergelijkbaar: → amman, → maarschalk, → ruwaard, kastelein en → drost. De baljuw oefende uit naam van de heer in diens district de rechtsmacht uit (→ ambachtsheerlijkheid).

Lees verder
1993
2022-01-20
Vreemd Nederlands

Jan Meulendijks

Baljuw

rechterlijk ambtenaar (gesch.); drost

1982
2022-01-20
Encyclopedie van Zeeland

Alles over Zeeland

BALJUW

In de 12e - 13e eeuwse hiërarchie van grafelijke en andere ambtenaren, die hun ambt als regel erfelijk in leen hadden, verscheen de baljuw als een jong, modern element: hij was bezoldigd en afzetbaar. In hun Hollands-Zeeuws territorium moeten de graven van Holland bij de instelling van het ambt van baljuw het Vlaamse voorbeeld hebben gekozen....

Lees verder
1981
2022-01-20
Geschiedenis Lexicon

H.W.J. Volmuller (1981)

Baljuw

(Laatlat. balivus. hofmeester), vertegenwoordiger van de heer (de landsheer of heer van een hoge heerlijkheid). → Ambachtsheerlijkheid.

1973
2022-01-20
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

Baljuw

[ Laat lat. balivus, hofmeester], m. (-s), vertegenwoordiger van de heer (de landsheer of heer van een hoge heerlijkheid) in een rechtskring met hoge jurisdictie. Zijn ambtsgebied droeg gewoonlijk de naam baljuwschap. De baljuw leidde de hoge vierschaar, meestal bestaande uit edelen. De baljuw leidde de terechtzitting, vorderde hier recht en droeg...

Lees verder
1958
2022-01-20
Encyclopedie van Friesland

Encyclopedie van Friesland (1958) onder redactie van Prof. Dr. J.H. Brouwer

BALJUW

Hoogste gerechtsambtenaar in kleinere gem. (okt. 1807-10); heette tevoren drost.

1955
2022-01-20
Vreemd woordenboek

Vreemde woorden woordenboek

Baljuw

vroegere schout, drost, landrechter.

1950
2022-01-20
Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

Baljuw

m. (-s), (bist.) ambtenaar, door de landsheer of de heer ener heerlijkheid met de rechtspraak in een zekere landstreek belast.

1948
2022-01-20
Kramers woordentolk

Vreemde woorden, uitdrukkingen en afkortingen (1948)

baljuw

m. o landrechter, drost, schout.

1947
2022-01-20
Winkler

Winkler Prins 1947

Baljuw

een woord, ontleend aan het midden latijnse balivus of bajulivus, d.i. hofmeester en landvoogd, van Latijn bajulus, d.i. drager, werd in Holland en Zeeland gebruikt voor een nieuw soort ambtenaren, dat sinds de 13de eeuw werd ingesteld om den graaf te vertegenwoordigen in de verschillende delen van diens gebied, zowel in bestuurs- als in rechtszake...

Lees verder
1937
2022-01-20
Koenen

M. J. Koenen's Verklarend handwoordenboek

baljuw

m. baljuwen, baljuws (o.-Fr. baillif: rechterlijk ambtenaar uit vroeger tijd): de baljuw is enigszins te vergelijken met den officier van justitie.

1937
2022-01-20
Woordverklaring

Dr. L.M. Metz - 1937

Baljuw

In den graventijd was het land verdeeld in baljuwschappen en onderverdeeld in ambachten. De baljuw had in het baljuwschap de hooge rechtspraak. Hij was de openbare aanklager in de Hooge Vierschaar, waar de lijfstraffelijke rechtspraak werd uitgeoefend. De schout had in zijn ambacht de burgerlijke zaken en kleine misdrijven te berechten. Indien de g...

Lees verder
1933
2022-01-20
Iedereen

Encyclopedie voor Iedereen

Baljuw

vroeger de ambtenaar, die v/d heer eener heerlijkheid de rechtspraak waarnam.

1916
2022-01-20
Oosthoek 1916

Nederlandse encyclopedie, uitgegeven van 1916-1925.

Baljuw

Baljuw, vertegenwoordiger van den graaf, den landsheer, in een district (baljuwschap of stad); gewoonlijk heette de vertegenwoordiger in de dorpen de schout, tenzij het dorp niet een ambachtsheerlijkheid, maar een hooge heerlijkheid was, dan heette hij baljuw. (Zie HEERLIJKHEID).De b., die crimineele zaken behandelde, had nevens zich welgeboren man...

Lees verder
1898
2022-01-20
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

BALJUW

m. (-s), voormalig ambtenaar, door den landsheer met de rechtspraak in eene zekere landstreek belast., ook drost geheeten; — SCHAP, o. (-pen), rechtsgebied van een baljuw (verdeeld in schoolambten); ambt eens baljuws.

Lees verder
1870
2022-01-20
Winkler Prins 1870

Nederlandse encyclopedie

Baljuw

Baljuw, afgeleid waarschijnlijk van het oude baal of bael, dat is, hoofd, opperhoofd, in het Fransch bailli, in ’t Engelsch bailliff, van het Nieuw Latijnsch ballivus, is de naam van een ambtenaar, die tot aan het einde der vorige eeuw, belast was, om uit naam van den vorst, den graaf of den heer, di...

Lees verder
1869
2022-01-20
Geographisch

Geographisch-woordenboek

Baljuw

het zelfde als het fransche BAILLI. De baljuws werden aanvankelijk, na de 10e eeuw, dooiden graaf van Holland aangesteld; later behoorde het aanstellen van eenen B. tot de heerlijke regten, doch hij vonnisde in naam der Hooge Overheid.