Oosthoek 1916

Nederlandse encyclopedie, uitgegeven van 1916-1925.

Gepubliceerd op 17-01-2019

Ambtenaar

betekenis & definitie

Ambtenaar - iemand, die in vasten dienst is der overheid (rijk, prov., gemeente, enz), onverschillig of hij een ambt vervult of niet. De begrippen ambt en ambtenaar dekken elkaar dus niet. De wettelijke bepalingen omtrent arbeidsovereenkomst zijn ten aanzien van ambtenaren niet van toepassing, ten ware zij, hetzij vóór of bij den aanvang der dienstbetrekking door of namens partijen, hetzij bij wet of verordening, van toepassing zijn verklaard (art. 1637z B.W.). De bezoldigingen der ambtenaren, die uit ’s Rijks kas betaald worden, worden door den Koning geregeld (art. 63 Grw.). De Strafwet breidt het begrip a. uit en begrijpt daaronder ook alle personen, verkozen bij krachtens wettelijk voorschrift uitgeschreven verkiezingen, verder scheidsrechters en ten slotte allen, die tot de gewapende macht behooren (84 Sr.). Deze begripsuitbreiding (natuurlijk alleen van beteekenis voor het strafrecht) is van belang met het oog op de ambtsmisdrijven en -overtredingen en op de misdrijven tegen of ten opzichte van a.’en als zoodanig (misdrijven tegen het openbaar gezag: artt. 177 v. Sr.). — Meermalen wordt het begrip a. ruimer genomen dan boven omschreven. Zoo spreekt men van ambtenaren bij de spoorweg-maatschappijen en andere half-publieke lichamen; daarmede bedoelt men dan veelal de hoogere geëmployeerden in tegenstelling met de „beambten”, die de lagere rangen bekleeden.