Oosthoek 1916

Nederlandse encyclopedie, uitgegeven van 1916-1925.

Gepubliceerd op 17-01-2019

Rivier

betekenis & definitie

Rivier - Het aan de oppervlakte afstroomende deel van den neerslag beweegt zich slechts zelden over groote vlakten gelijkmatig en afspoelend ; in den regel verzamelt het zich in de laagten in het oppervlak en volgt de helling van deze. Zulke wateraderen worden, al naar de grootte, beken of rivieren genoemd. De afstroomende aderen behooren tot bepaalde riviersystemen, waarbij men hoofdrivier en bijstroomen onderscheidt. Vaak is deze onderscheiding een willekeurige of uit historische oorzaken te verklaren (Elbe-Moldau).

Onder stroomgebied verstaat men al het land, dat op een bepaalde rivier afwatert. De stroomgebieden worden van elkaar gescheiden door z.g.n. waterscheidingen, die lang niet altijd met de hooge gedeelten in een landschap behoeven overeen te komen. Het laagste punt van een rivierloop is de mond. Soms eindigt de rivier in een moeras of verdwijnt het water door inzinking in den bodem of door verdamping. De verhouding tusschen de lengte (van goede kaarten af te meten) en den afstand rechtuit van het begin tot het einde heet loopontwikkeling. De diepte van een rivierbed is niet constant; de verbindingslijn van de grootste diepten in de verschillende doorsneden heet dalweg of (bij bevaarbare rivieren) vaargeul. De vaargeul maakt, evenals de stroomdraad, d.i. de verbinding van de punten met de snelste strooming in de verschillende doorsneden, grootere bochten dan de rivier zelf. De stroomdraad ligt meest boven de vaargeul.

Het lengteprofiel van de vaargeul heeft meest een golfvormige gestalte : z.g.n. kolken wisselen met ondiepten af. In „droge”, sedert korten tijd door het stroomend water verlaten geulen, komen de oude kolken als langgestrekte, met water gevulde diepere gedeelten voor. Plotseling optredende hoogere waterstanden hebben zeer groote verandering van het bed tengevolge. Zijstroomen dringen soms door hun puin den stroomdraad en daardoor ook de vaargeul, uit de oorspronkelijke richting. Onder verval verstaat men het verschil in hoogte (meest bij gemiddelden waterstand) tusschen twee doorsneden. Verhang is het quotiënt van het verval en den afstand. In de laagvlakte is het verhang meest klein (in de Noord-Duitsche Laagvlakte gemiddeld 0,15 tot 0,30 ‰). Wat de dwarsdoorsnede betreft, deze is in rechte riviergedeelten in den benedenloop, ongeveer paraboolvormig, in pas gevormde dalen meer V-vormig ; waar de regenval gering of de doorlaatbaarheid van den bodem groot is, is de diepte-erosie sterker dan de zijwaartsche.

Zulke dalen heeten cañons. De water-hoeveelheid is in de eerste plaats afhankelijk van het klimaat. Men kan onderscheiden rivieren, waarvan de hoeveelheid water naar de monding toeneemt en zulke, waar naar beneden toe tengevolge van de verdamping en het voortdurende verlies aan het grondwater de waterhoeveelheid steeds afneemt, z.g.n. steppenrivieren. R.-beddingen, die alleen in ’t natte jaargetij water voeren, heeten fiumaren (in ’t Midd. zeegebied) ; die zoo goed als nooit water bevatten: wadi’s (in de woestijn). De waarnemingen betreffende den waterstand geschieden meest met behulp van peilschalen (soms zelfregistreerende). Capaciteit of vermogen is de hoeveelheid water, die per seconde door een bepaalde doorsnede stroomt. Onder middelbaren rivierstand (M. R.) verstaat men de gemiddelde hoogte gedurende de 6 zomermaanden in het laatste decennium (van 1910—1920).

De snelheid wordt gemeten o. a. met het apparaat van Woltmann (1790). In ’t algemeen is de snelheid het kleinst aan de kanten en op den bodem. Bij vallend water, als dus de waterstand lager wordt, bestaat er een zijwaartsche componente van de oevers naar het midden; dan staat het wateroppervlak hol; bij stijgend water omgekeerd ; dan staat het bol. Wervels bestaan uit waterdeeltjes, die om een stroomafwaarts zich bewegende as draaien. Zij ontstaan daar, waar naast elkaar gelegen waterdeeltjes een zeer verschillende snelheid van beweging hebben, dus vooral in sterke krommingen en aan steile hellingen. De werkzaamheid der r. openbaart zich in : 1. het voortschuiven en het voortrollen van het zich op den bodem bevindende puin ; 2. het meevoeren van in het water zwevende deeltjes, het z.g.n. slik ; 3. het meevoeren van in het water opgelost materiaal. De hoeveelheid in beweging zijnd puin hangt af van de stootkracht, dus van de snelheid. In weinig gekromde riviergedeelten liggen de grind- en zandbanken afwisselend aan de beide oevers. Ook zij verplaatsen zich, bij hoog water meer dan bij lagen waterstand. — De hoeveelheid zwevend materiaal is ook van de watertemperatuur afhankelijk, daar bij hoogere temperatuur meer uitgescheiden wordt.

Vandaar, dat koude rivieren, vooral gletsjerbeken, zoo troebel zijn. Het slikgehalte neemt met de waterhoeveelheid toe. De grootte ervan is van invloed op de kleur van het water. Het helderste water komt uit bronnen in kalkgesteenten ; de rivieren uit de Centrale Alpen zijn fleschgroen, voor zoover het geen gletsjerrivieren zijn; zij zijn echter troebel na elke onweersbui. De hoeveelheid opgeloste stoffen is meest veel grooter dan de hoeveelheid zwevende ; de betrekkelijke hoeveelheid is bij hoogen waterstand kleiner dan bij lagen.

Met de temperatuur neemt de hoeveelheid toe. Penck schat de hoeveelheid opgeloste stoffen, elk jaar naar de zee gevoerd door rivieren, op ± 4 milliard ton, d. i. ± 1/6000 van het watergewicht. Onder normaliseering verstaat men aan de rivier een zoodanig bed geven, dat past bij haar capaciteit. Onze rivieren zijn, evenals de meeste in W.-Europa, gecorrigeerd ; in O.-Europa hebben ze nog haar natuurlijk bed. Grootere hellingen in het stroombed veroorzaken stroomversnellingen en watervallen.