Oosthoek 1916

Nederlandse encyclopedie, uitgegeven van 1916-1925.

Gepubliceerd op 12-01-2019

Nijl

betekenis & definitie

Nijl - Grootste rivier van Afrika, met ± 6000 K.M. lengte, op het Missouri-Missisippisysteem na, het langste rivierstelsel der aarde. Het stroomgebied is 2.803.000 K.M.2 groot. De bronwateren worden verzameld in een drietal groote meren in tropisch Oost-Afrika. Het voornaamste hiervan is het 68.000 K.M.2 groote Victoria-meer, dat verschillende rivieren ontvangt van het omgevende hoogland; de belangrijkste is de Kagera, die men dus als de hoofdbronrivier van den Nijl kan opvatten en waarvan de op 2120 M. hoogte gelegen oorsprong van haar bronbeek Roewoewoe, als de uiterste bron van den N. beschouwd wrordt.

De afvloeiing van het 1125 M. hoog gelegen Victoria-meer is de Victoria-, Somerset-Nijl of Kiviri. Spoedig na het verlaten van het meer vormt hij de Riponvallen, gaat dan als 640— 900 M. breede stroom tusschen moerassige, met waterplanten begroeide oeverlandschappen door, die bij hoog water onder staan, stroomt door het 370 K.M.2 groote Ibrahimen het 800 K.M.2 groote Kioga-meer, om dan in vele stroomversnellingen en watervallen naar het 680 K.M. hooggelegen, ± 4500 K.M.2 groote Albertmeer af te dalen. Dit laatste meer neemt weer de Semliki op, de afwatering van het AlbertEdward-meer, dat 937 M. hoog ligt en ± 4000 K.M.2 groot is. Meer en rivier nemen o. a. de wateren op van de Kiroenga-vulkanen en van het vergletsjerde Roenzori-gebergte, die beiden wel geïdentificeerd zijn met het Maangebergte der Ouden.

Dicht bij de monding van den Victoria-Nijl verlaat de nu Bahr-el-Dzjebel of Witte N. genoemde vereenigde rivier het Albert meer. Hij heeft hier een breedte van gemiddeld 1500 M. Tusschen Doefilé, waar hij de Assoea opneemt en Kiri stroomt hij door een smalle, onbevaarbare dalkloof en bereikt bij Lado (472 M. hoogte) de groote vlakte van Oost-Soedan. Naar het centrum van dit bekken convergeeren, behalve de Bahr-el-Dzjebel, verschillende andere rivieren, die zich tot Bahr-el-Ghazal vereenigen en hier een groot moerasgebied doen ontstaan, dat in den regentijd één groote watervlakte vormt van ± 60.000 K.M.2 grootte, een wildernis van wateren moerasplanten, vooral van Aeschynomene Elaphroxylon en Papyrus, waardoor de wateren soms geheel verdekt worden en de losgeraakte planten in de rivieren soms verstoppingen („Seds”) doen ontstaan, waardoor nieuwe zijarmen, als de Bahr-el-Zeraf, gevormd worden. Na de Bahr-el-Ghazal opgenomen te hebben, wendt de N. zich Oostwaarts tot aan den mond van de Sobat, dan naar het Noorden door een vlak eentonig gebied, dat Noordwaarts een steeds droger karakter krijgt, waarin slechts periodieke rivieren of wadi’s de hoofdrivier bereiken. Bij Khartoem vereenigt hij zich met den Blauwen Nijl of Bahr-el-Azrak. Deze ontspringt op het hoogland van Abessynië, verzamelt zijn wateren in het 1755 M. hooggelegen Tana-meer, dat hij onder den naam van Abai verlaat, gaat dan door diepe kloven om het hoogland van Godsjam heen, om na het verlaten van het bergland als een trage rivier met zeer afwisselden waterstand door het steppeland van Oost-Soedan te stroomen. Op de zelfde wijze verhoudt zich de eveneens in Abessynië ontspringende Atbara, die zich boven Berber met den Nijl vereenigt. Dit is de laatste zijrivier, die den N. bereikt.

Beneden Khartoem, bij Sjabloeka, begint met de 6e cataract de doorbraak door het „Nubië” genoemde woestijn-tafelland. Van Aboe Hamed 300 M.) tot Korosko (158 M.) maakt de N. een groote bocht naar net Westen, waarin verschillende stroomversnellingen voorkomen; de laatste dier „cataracten” ligt bij Assoean, waar de stroom Egypte binnenkomt. Van hier tot aan zee is het verval niet meer dan 94 M. De breedte van zijn door steile rotswanden ingesloten, met alluvium bedekt dal, wisselt in Nubië af van 7—15 K.M., in Egypte van 20—60 K.M. De rivier is gemiddeld 320 tot 460 M. breed, bij de cataracten slechts 80 tot 150 M. Van Esneh tot Cairo verbreedt zij zich weer van 550 M. tot 2200 M. Bij lagen waterstand is zij hoogstens 5 M. diep, bij hoogen bij Esneh 14, bij Cairo 10 a 12 M. Bij Beni Soeëf gaat van den N. een 334 K.M. lange zijarm af, de Bahr Joessoef, naar de depressie van Fajoem.

Bij Cairo begint de 22.000 K.M.2 groote, tot 207 K.M. breede delta, die tegenwoordig gevormd wordt door twee hoofdarmen (die van Rosette en van Damiette) en tal van tusschenarmen en kanalen. Een reeks schoorwallen, waarachter zich lagunen en moerassen bevinden, scheidt het deltagebied van de Middellandsche Zee.

De equatoriale regens en vooral de zomerregens in Abessynië zijn de oorzaken van de periodieke overstroomingen in het Nijldal en in de delta. In Egypte stijgt de Nijl van Juni tot October. De laagste stand heeft de rivier van April tot Juni. Om den soms van jaar tot jaar sterk afwisselenden waterstand te kunnen beheerschen, heeft men reusachtige stuwwerken aangelegd, de grootste bij Cairo en bij Assoean. Van Assoean af kan de rivier geregeld bevaren worden. Ook hooger op, tusschen de cataracten, vindt men bevaarbare gedeelten. In den boven-Nijl zijn de afdeelingen tusschen Magoengo en Doefilé, tusschen Lado en Gaba-Sjambeh en tusschen Fasjoda en Khartoem goed bevaarbaar. Tusschen Gaba-Sjambeh en Fasjoda zijn de Seds zeer hinderlijk.

Het probleem van den oorsprong van den Nijl heeft reeds in de Oudheid de geografen bezig gehouden. Herodotus en Juba namen een West-Oost loopenden bovenloop aan. Onder de regeering van Nero bereikte een expeditie het Sed-gebied (± 9° N. Br.). Vanaf Eratosthenes en vooral sedert Claudius Ptolomaeus was reeds bekend, dat de rivier haar wateren in twee groote meren verzamelde en dat zich in de buurt daarvan een hooggebergte, het Maangebergte, bevond. De Arabische geograaf Edrisi teekende op zijn kaart nog een derde meer, waarin de afvloeiingen van de beide andere samenliepen. De Nijlmeren komen dan op de kaarten voor tot op die van d’Anville (1761). Dan verdwijnen ze voorloopig uit de kartografie. Van 1830—57 verschijnt weer één groot meer, dat aangenomen was uit de berichten, die men vanuit de O.-kust kreeg.

De expedities van Mehemed Ali maakten het probleem der bronnen van den Nijl weer meer actueel. Verschillende reizigers hebben het trachten op te lossen, waaronder ook Nederlanders, als Kluver en Freule Tinne. Livingstone zag de Loealaba voor den bovenloop aan. Ook werden de Bahrel-Ghasal of de Bahr-el-Azrak voor de hoofdbovenrivieren aangezien, totdat Speke in 1857 van de O.-kust uit het Victoria-meer bereikte en met Grant in 1862 weer naar dit meer kwam en den N. afreisde tot Gondokoro, waardoor hij kon melden, dat „the Nile (was) settled”. Het Albert-meer werd in 1864 door Baker ontdekt, terwijl in 1876 Gessi de afvloeiing ervan vaststelde ; in hetzelfde jaar werd de hoofdbronrivier, de Kagera, door Stanley bereikt. In 1889 bleek eindelijk, dat het Albert-Edwardmeer tot het Nijlsysteem behoort.