Oosthoek 1916

Nederlandse encyclopedie, uitgegeven van 1916-1925.

Gepubliceerd op 10-01-2019

Kanon

betekenis & definitie

Kanon, - 1) in het algemeen elk vuurwapen van aanzienlijke grootte of elk vuurwapen, dat niet tot de handvuurwapens kan worden gerekend. In engeren zin is een k. een stuk geschut, dat zijn lading in een vlakke baan voortdrijft (in tegenstelling met houwitsers en mortieren, zie GESCHUT). Een k. wordt gevormd door een buis, die bij gebruik aan een der einden gesloten wordt. De inwendige ruimte heet ziel, de wand van deze zielwand; zij wordt door een stootbodem of kulas gesloten.

Naarmate de lading langs de monding of kulas wordt ingebracht, spreekt men van voor- of achterlaadgeschut. De middellijn der ziel, bij getrokken geschut gemeten over de velden, heet kaliber; het gedeelte der ziel, bestemd om de kruitlading op te nemen, heet kamer of buskruitkamer, de ruimte voor het projectiel heet ligplaats voor het projectiel of projectielkamer; projectiel- en buskruitkamer samen worden wel ladingsruimte genoemd; het gedeelte der ziel vóór de projectielkamer heet vlucht. De kanonnen, die onmiddellijk op een affuit of stoel liggen, rusten met cylindervormige tappen in de tappannen, de tappen worden versterkt door tapborsten; terugloopkanonnen vatten met klauwen om de geleibanen van de wieg der affuit. Het kanaal, waarin bij niet-snelvurend geschut het ontstekingsmiddel voor de buskruitlading wordt geplaatst, heet zundgat; dit bevindt zich bij achterlaadgeschut dikwerf in het sluitstuk; de ontsteking der lading bij snelvuurgeschut geschiedt door middel van een slagpin; zie SLUITSTUK. Somtijds zijn boven het zwaartepunt ooren aangebracht tot het verwerken van het k. Hiertoe dient bij voorlaadk. ook de druif.

De k. zijn voorzien van richtmiddelen of inrichtingen tot het plaatsen daarvan; bij ’t terugloopgeschut zijn de k. voorzien van een eenvoudige vizierkeep en -korrel, terwijl de eigenlijke opzet aan de wieg is bevestigd. Uitwendig onderscheidt men: het achter-, bodem- of kamerstuk, het tappen- of middenstuk (dit laatste als er geen tappen zijn) en het mondstuk; dit laatste wordt soms onderverdeeld in langeveld en kop, bij kleine k. heet het enkel kop. In den wereldoorlog hebben de zoogenaamde 120 K.M.-kanonnen van Krupp, die in Maart 1919 Parijs hebben beschoten, groot opzien gebaard. Er zijn 8 van die k. geweest; zij hadden een kaliber van 21 en 23 c.M.; dit laatste kaliber werd verkregen door uitgeschoten k. van 21 c.M. uit te boren; zij schoten onder vaste elevatie van 50°; verandering in dracht werd verkregen door verandering in elevatie. Hoewel de Franschen de plaatsen der vuurmonden spoedig hadden ontdekt en door hun vuur bedieningsmanschappen troffen, is geen dier kanonnen door vijandelijk vuur beschadigd (1 is door een ontijdigen springer in de ziel vernield); alle kanonnen zijn bij den terugtocht geborgen.

2) Gr., maatstaf of richtsnoer. De term komt in de Grieksche kerk voor sinds de 4e eeuw in de beteekenis: katalogus van de bijbelboeken, die door de kerk als zoodanig erkend worden. Tegenover de kanonieke boeken des O. en N. T. staan de Apokryien. Toen de Latijnsche Kerk den term overnam, heeft ze er een andere beteekenis aan gehecht: die gewijde oorkonden der goddelijke openbaring, die voor de kerk en haar leden tot richtsnoer strekken. Voor de eerste Christelijke gemeente was naast het O. T. het woord van Jezus met gezag bekleed. Dit werd later mede toegekend aan de geschriften, waarin het vervat was. Langzamerhand kwam daarbij het gezag van den apostolus, bepaaldelijk van Paulus. In de tweede eeuw stelde de kerk nog de mondelinge overlevering boven de schriftelijke, maar de verzameling der boeken begint.

De ketter Marcion (omstr. 150) dwong door het vaststellen van zijn k., waarin uitsluitend Paulus en Lukas voorkwamen, de kerk tot het stellen van den haren daartegenover. De strijd met Gnosis en Montanisme drong mede tot het vaststellen van een k. als een der normen van gezag voor de wordende Katholieke kerk (omstreeks 200). Nog staat het aantal boeken niet vast. De algemeene brieven komen veel later dan Paulus op den voorgrond, 1 Petr. en 1 Joh. het eerst. Nog worden allerlei geschriften gebruikt en gelezen, die later Apokryt worden: het Evangelie en de Openbaring van Petrus, het Evangelie der Egyptenaren, der Hebreeërs en de Pastor van Hermas. Wel wordt in doorsnede omstreeks 200 een getal van 22 der thans kanonieke boeken des N. T. aangenomen met uitzondering van Jakobus, 2 Petrus, 2 en 3 Johannes. Aangaande Hebreeën en de Openbaring van Johannes hebben de Westersche en de Oostersche kerk lang gestreden. De eene was tegen de eerste, de tweede tegen de andere.

De kerk van Syrië en van Afrika is dan bij Rome te rekenen. Tot het jaar 200 heeft vooral de invloed van Ireneus, Tertullianus en Clemens van Alexandrië gegolden. Een gewichtig document is de k. van Maratori. Later onderscheidt Origenes tusschen echte, onechte en gemengde geschriften, Eusebius tusschen homologumena en antilegomena. Athananius heeft alle thans nog kanonieke boeken, waardoor het begrip Apokryf zijn tegenwoordigen inhoud krijgt. Onder den invloed van Augustinus en Hieronymus zijn voor het Westen de boeken naar aantal en volgorde vastgesteld op de Synoden van Hippo (393), Karthago (396 en 419). In het Oosten liet een zoo afdoende beslissing op zich wachten. De bezwaren tegen de Openbaring van Johannes zijn daar eerst na eeuwen verstomd.

De volgorde der boeken bleef daar verschillen van het Westen. Na den tijd der Hervorming houdt de geschiedenis van den k. op. Vgl. J. A. Cramer, De k. der Heilige Schrift in de eerste vier eeuwen der Chr. kerk, Th. Zahn, Grundriss der Geschichte des ntl. Kanons, 19042 en J. M. S. Baljon, Geschiedenis der Boeken des N. V., 1901, bl. 436-514. Als kanonieke boeken worden ten slotte aangenomen in de Ned. Geloofsbelijdenis Art. 4: 5 boeken van Mozes (Genesis, Exodus, Leviticus, Numeri en Deuteronomium), Jozua, Richteren, Ruth, 1-2 Samuel, 1-2 Koningen, 1-2 Kronieken (Paralipomenon), 1 Ezra, Nehemia, Esther, Job, de Psalmen Davids, drie boeken van Salomo (Spreuken, Prediker, Hooglied), vier groote profeten (Jezaja, Jeremia met Klaagliederen, Ezechiël, Daniël), de 12 kleine profeten (Hozea, Joël, Amos, Obadja, Jona, Micha, Nahum [Habakuk was vergeten], Zefanja, Haggaï, Zacharia, Maleachi. Dit was het O. T. Het nieuwe werd als volgt aangeduid: De 4 Evangelisten (Mattheüs, Markus, Lukas, Johannes), Handelingen der Apostelen, veertien brieven van den apostel Paulus (Romeinen, 1-2 Korinthen, Galaten, Efezen, Filippenzen, Kolossenzen, 1-2 Thessalonicenzen, 1-2 Timotheus, Titus, Filemon en Hebreeën), zeven brieven der oudere apostelen (Jakobus, 1-2 Petrus, 1-3 Johannes, Judas), de Openbaring van Johannes. De Roomsch-kath. kerk stelde dezelfde lijst vast op het Concilie van Trente, waarbij de namen somtijds eenigszins anders gespeld werden.

De boeken Samuel-Koningen heeten daar 1-4 Koningen, Nehemia heet 2 Esdras, Prediker Ecclesiastes. Voorts worden uit de Apokryfen ingelascht: Tobias, Judith, Wijsheid (Ecclesiasticus), Baruch, 1-2 Makkabeeën. Het N. T. is gelijk. — K. heeft in ’t R.-Kath. spraakgebruik nog meer beteekenissen: 1) oorspronkelijk beteekende het de richtsnoer voor christelijk geloof en leven; sinds de 4e eeuw echter vooral synodale bepalingen in tegenstelling met de keizerlijke wetten, dienovereenkomstig de kerkelijke rechtsorde in ’t algemeen; in de Middeneeuwen heeten alle rechtsbepalingen der kerkelijke organen Canones in tegenstelling met de wereldlijke wetten (leges). De Concilies van Trente en van het Vaticaan daarentegen hebben onder den naam Canones niet meer rechtsregels geformuleerd, maar daarmee aangeduid de met de gedefinieerde geloofswaarheden verbonden anathema-uitspraken. Wat de K.-verzamelingen betreft, vgl. Corpus juris Canonici en Gratianus. — 2) in vroeger tijd de lijst van geestelijken, die vast aan een kerk verbonden waren. — 3) bij de Christelijke Grieken, een uit 8 of vooral 9 verschillende liederen samengestelde hymne, waarbij ieder afzonderlijk zijn bijzondere constructie heeft en uit 3-4, oorspronkelijk nog uit meer strophen bestaat. — 4) in de H. Mis dat gedeelte, waarin de Consecratie plaats heeft, omvattend de Consecratie en de gebeden en ceremoniën, die de Consecratie inleiden en onmiddellijk daarop volgen.

3) anthropologie, de wetmatige verhoudingen van de deelen van het lichaam. Reeds de oude Egyptenaren hielden zich met de leer der k. bezig. Zij hebben als grondmaat hiervoor de lengte van den middelvinger gekozen, die volgens hen het negentiende gedeelte van de lichaamslengte is. Men noemt zulk een grondmaat een modulus. De Egyptische k. is ten deele ook in de Grieksche kunst overgegaan, hoewel ook andere kanons werden gebruikt, b.v. met de hoogte van het hoofd, de lengte van de hand of van den voet als modulus, De bekendste k. is die van Polykletus, waarin het gezicht ⅒, het hoofd ⅛ van de geheele lengte is. Hoofd en hals te zamen vormen ⅙ van de lichaamslengte. Het gezicht bestaat volgens dezen k. uit drie gelijke deelen, vanaf de haargrens tot den neuswortel, de lengte van den neus en den afstand van den onderrand van den neus tot de kin. In den tijd der Renaissance hebben kunstenaars als Leonardo da Vinci, Dürer, Agrippa zich uitvoerig met de proportieleer van het menschelijke lichaam beziggehouden. Uit Leonardo’s werken kennen wij een groot aantal onderzoekingen omtrent deze proportieleer, met de meest verschillende deelen van het lichaam als modulus.

Tot 1854 kent men wel 54 verschillende k. Zeisig heeft deze verzameld en er nog een eigen, welbekende k. aan toegevoegd. Dit is de k. van de z.g. gouden of gulden snede. Het menschelijke lichaam verhoudt zich nu volgens dezen k. zóó, dat de afstand navel-hoofd zich verhoudt tot den afstand navel-bodem als deze laatste tot de geheele lichaamslengte. — De eerste wetenschappelijke k., d. w. z. een k., die gebaseerd is op het resultaat van metingen, is van Quetelet afkomstig. Hij is hierin door vele andere anthropologen gevolgd, zooals Topinard, Bertillon, Fritsch, Richer, Sargent, enz. Hoewel het nog niet mogelijk is, vaste normale verhoudingen voor het menschelijke lichaam op te geven, dekken de resultaten der verschillende onderzoekingen elkaar toch zoodanig, dat men van groote overeenstemming kan spreken. Ook met de ideale gestalte van den kunstenaar komen zij zeer wel overeen. — Als voorbeeld van een k. is in de figuur een normale vrouwelijke gestalte geteekend en daarnaast de k. van Fritsch. Modulus bij deze k. is de lengte van den wervelkolom, die men aangeeft door den afstand van den onderrand van den neus tot den bovenrand van het schaambeen. Deze modulus wordt in vier gelijke deelen verdeeld; elk deel is een ondermodulus.

Een ondermodulus naar boven geeft de hoogte van het hoofd aan. Een ondermodulus bij 2 naar rechts en links geeft de plaats van de schoudergewrichten, beiderzijds ½ modulus bij 4 geeft de plaats van de heupgewrichten. Verbindt men schouder en heuppunten kruiselings, dan snijden deze lijnen elkaar op de plaats van den navel. 3) Een lijn, van α door punt 1 getrokken geeft met dezelfde lijn van de andere zijde de hoofdbreedte. Een lijn uit 2 evenwijdig aan de lijn α 1. snijdt de lijn αb1 op de plaats van den borsttepel. De ledematen beantwoorden aan de volgende lengten.

Wanneer men het punt b met het punt h verbindt, en deze lijn naar beneden toe verlengt, dan is de lengte van het bovenbeen gelijk aan den diagonaal bh1, het onderbeen gelijk aan bh. De lengte van den bovenarm is gelijk aan den afstand van het schouderpunt α tot het tegenoverliggende punt van den borsttepel (αh1), de lengte van den benedenarm is gelijk aan den afstand borsttepel-navel, de handlengte is even groot als de afstand navel-bekkenpunt. De kanon van Fritsch geldt voor den gemiddelden volwassen Europeaan. Andere rassen vertoonen in hunne lichaamsverhoudingen min of meer belangrijke afwijkingen hiervan. Zie KIND, LICHAAM, GROEI.

4) muz., 1) de oud-Grieksche naam voor het Monochord. — 2) uitgebreide zangen, samenstellingen van verschillende oden, in gebruik bij de Grieksch-orthodoxe (Byzantijnsche) kerk. — 3) een meerstemmig muziekstuk, waar de imitatie zóó streng wordt in acht genomen, dat alle stemmen, die op verschillende tijden intreden, dezelfde melodie zingen (resp. spelen). De k. heette aanvankelijk Fuga (vlucht), welke naam zeer karakteristiek gekozen is, met het oog op de elkander als ’t ware ontloopende stemmen. Men onderscheidt k. in het octaaf, de kwart, de kwint, enz., al naar gelang van het interval, waarop de beantwoording plaats vond; eveneens k. in de vergrooting (per augmentationem), en in de verkleining (per diminutionem). De Raadsel-k. onderscheidde zich door het ontbreken van elk voorschrift, wat tijd of interval van de beantwoording betreft, zoodat de uitvoerenden hiernaar moesten raden; vaak brachten allerlei vage, duistere of spitsvondige spreuken den zoeker nog meer op ’t dwaalspoor. Oefening in ’t schrijven van k.’s is een belangrijk onderdeel van de studie van het contrapunt. Leerboeken schreven: Richter, Jadassohn, Riemann. Zie ook: Klauwell, Die historische Entwickelung des musikalischen Kanons.