Oosthoek 1916

Nederlandse encyclopedie, uitgegeven van 1916-1925.

Gepubliceerd op 17-01-2019

Sluitstuk

betekenis & definitie

Sluitstuk - beweegbaar onderdeel van een achterlaadkanon, dienende om de ziel aan de achterzijde te sluiten. (Zie GESCHUT, in het bijzonder de daarbij gegeven plaat, en KANON). Van de verschillende stelsels van sl. zijn tenslotte de wigsluiting en de schroefsluiting de meest gebruikelijke geworden. Bij de wigsluiting heeft het sl. den vorm van een wig, waarvan voor- en achtervlak een kleinen hoek met elkander maken en die zich in het achterstuk, hetzij in horizontale dan wel verticale richting, loodrecht op de zielas beweegt. Het wordt vastgezet door een sluitschroef en bij zwaar geschut of snelvuurgeschut bewogen door een transportschroef met grooten spoed.

Sluitschroef en transportschr. vormen, meermalen, o. a. bij ons snelvuurveldgeschut, één geheel. Ook geschiedt het vastzetten en bewegen van het sl. dikwerf door middel van een hefboomkruk, o. a. bij de meeste onzer houwitsers. Bij de schroef sluiting bestaat het sluitstuk uit een cylinder, voorzien van schroefdraad, die in lengterichting over drie strooken is weggesneden; dit is op overeenkomstige wijze geschied met den moerdraad in den vuurmond. Dientengevolge kan het sluitstuk over zijn geheele lengte in (of uit) den vuurmond worden geschoven, als de weggesneden strooken schroefdraad overeenkomen met de niet weggesneden strooken moerdraad. Voor het sluiten (openen) behoeft men het sluitstuk slechts ⅙ slag te draaien. Worden patronen met kardoeshulzen gebezigd, dan zijn de sl. voorzien van uitwerpers om de ledige hulzen bij het openen van het sluitstuk te verwijderen. Worden geen kardoeshulzen doch kardoezen in zakken gebezigd, dan moeten de sluitstukken voorzien zijn van een inrichting voor gasafsluiting.