Wat is de betekenis van Kanon?

2022
2023-01-28
Woordenboek van Populair Taalgebruik

Geschreven door Marc De Coster. Uitgegeven op Ensie in 2022.

kanon

1) (1967) (politie/ onderwereld) pistool; vuurwapen van zwaar kaliber. Ook in het Duits: 'Kanone'. • Agenten denken dat Daan z'n kanon ofzo pakt en springen op z'n nek en trappen hem hun autootje in. (Hitweek, juni 1967) • Ik voelde dat tussen mijn broekband nog mijn 'kanon' zat, dat ik in geval van nood zeker zou hanteren. (Frans Kwante...

Lees verder
2020
2023-01-28
Algemeen Nederlands Woordenboek

Digitaal woordenboek van eigentijdse Nederlands

kanon

Het begrip kanon heeft 4 verschillende betekenissen: 1) vuurwapen met een onderstel. groot wapen met een lange loop op een onderstel waarmee met behulp van kruit projectielen afgevuurd kunnen worden. 2) iets dat krachtig is. iets dat zwaar of heftig is; iets dat krachtig is; krachtig middel. 3) voertuig met een zware motor. v...

Lees verder
2019
2023-01-28
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

kanon

kanon - Zelfstandignaamwoord 1. een instrument om explosieve projectielen weg te schieten De vuursnelheid van het kanon werd aanzienlijk verhoogd. 2. een drinkglas met dikke bodem of voet, gebruikt bij heildronken Woordherkomst Van Italiaans canna (buis). Op zijn beurt van L...

Lees verder
2018
2023-01-28
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

kanon

kanon - zelfstandig naamwoord uitspraak: ka-non 1. groot, zwaar vuurwapen met een lange loop op een onderstel ♢ de soldaten schoten met kogels uit een kanon Zelfstandig naamwoord: ka-non het kanon ...

Lees verder
2017
2023-01-28
Voetballers

Jargon & Slang van Voetballers

Kanon

Kanon - term voor een speler met een hard en zuiver schot.

2014
2023-01-28
Mokums woordenboek

Ditte Simons en Hans Heestermans

kanon

dronken: Toen de meiden en het vaarvolk op den Zeedijk weerkeerden, was Corry kanon, Ze lalde, QUERIDO 2, 400.

2010
2023-01-28
Wielerwoordenboek

Geschreven door Fons Leroy en Wim van Rooy

kanon

kanon: vedette, kopman.

2009
2023-01-28
Wielersportwoordenboek

Wielersportwoordenboek door Jan Luitzen ©

kanon

(het; nen) SP - kopstuk, grote naam, vedette • Ik heb verschillende foto’s van Koblet tijdens Brive-Agen, telkens met opengevallen mond aangestaard door weer een ander kanon uit het verleden. (KRABR) • Ferdi Kübler was een van de kanonnen van de naoorlogse wegrensport. (MAASW)

Lees verder
2004
2023-01-28
Woordenboek van Eufemismen

Marc De Coster

kanon

Dronken. Ook wel: als een kanon. Eigenlijk: zo ‘vol’ als een kanon. Toen de meiden en het vaarvolk op den Zeedijk weerkeerden, was Corry kanon. Ze lalde enzovoort. Is. Querido: De Jordaan. 1912 Ook de generaal dronk, voor zover hij op was, en was ’s avonds om negen uur al, ja, ‘als een kanon’ zoals Paul dat uitdrukte. Lévi Weemoedt: Zo...

Lees verder
2004
2023-01-28
Ikonen Lexicon

Geschreven door Karin Braamhorst, 2004

Kanon

Kanon (lat. < gr. rieten stok, richtsnoer) is een liturgisch gezang, voor alle feesten en heiligen verschillend. In de regel bestaat een kanon uit negen oden. Deze gezangen zijn in beeld terug te vinden in de iconenkunst. Gezangen als ‘Ween niet om mij, Moeder’, ‘O, Albezongene’, ‘Het is waarlijk passend’, zijn op iconen in beeld gebracht. In de...

Lees verder
1998
2023-01-28
Woordenboek van populaire uitdrukkingen

Marc De Coster ©, 1998

Kanon

1. (als een)-,stomdronken. Syn. geladen/zo vol als een kanon;vgl. zuipen als een kanon.De uitdr. komt al voor bij Harrebomée 1861; we vinden haar ook terug in het Duits: voll/besojfen wie eineKanone.Volgens Küpper zou deze zegswijze afgeleid zijn van Kanone‘bierglas van 2 tot 3 liter1. Ook in het Frans bet. canon‘een glas wijn’ (boire un canon‘een...

Lees verder
1981
2023-01-28
Zelfstudie

Encyclopedie voor Zelfstudie

Kanon

zie geschut; meervoudsvorm bij land-en luchtmacht „kanonnen”, bij de marine „kanons”.

1952
2023-01-28
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Kanon

s.n., kanon (it), kanûn (it).

1951
2023-01-28
Duits woordenboek (DU-NL) 1951

Dr. H. W. J. Kroes

Kanon

canon, kerkregel; authentieke boeken der Schrift.

1949
2023-01-28
De Kleine Winkler Prins

Encyclopedie van A tot Z - 1949

Kanon

(1), in de boekdrukkerij de aanduiding van een lettercorpus, dat in onbruik is geraakt en zo genoemd werd, omdat men er de canon* der mis mee drukte. Men sprak van kleine kanon voor een letter, die 32 typografische punten mat, en noemde een letter van 36 punten grote kanon. Tegenwoordig spreekt men meestal van 32- of 36-punts letter;(2) algemene na...

Lees verder
1947
2023-01-28
Winkler Prins Encyclopedie

Winkler Prins 1947

Kanon

ontleend aan het Italiaanse cannone, vergrotende vorm van canna d.i. buis, pijp of rietstengel, komt in de 15de eeuw het eerst voor in de betekenis van geschut (zie aldaar).

1939
2023-01-28
Humoristisch woordenboek

Amusant-Zorgenverdrijvend Woordenboek (De Kolibri)

Kanon

Als zangstuk: gedisciplineerde wanorde. — Als oorlogstuig: tuig. — Als bijv. nw.: losbenige snellippigheid. — Schietapparaat, dat boter vervangt.

Lees verder
1937
2023-01-28
Koenen woordenboek 1937

M. J. Koenen's Verklarend handwoordenboek

kanon

I. o. kanonnen, kanonnetje (Fr. canon [It. cannone = buis, Lat. canna = riet]: stuk geschut); afk. kn., mv. kns. bv. een bewapening van 6 kns. v. 20 cm; zegsw. hij is kanon, stomdronken. II. m. (grootste lettersoort).

Lees verder
1933
2023-01-28
Iedereen

Encyclopedie voor Iedereen

Kanon

1) Apokriefen; 2) muziekstuk, waarbij achtereenvolgens de verschill, stemmen invallen met dezelfde melodie. 3) vuurmond m/e langen loop, vlakbaan → geschut; 4) i/d R.K. Kerk lijst der heiligen en deel der H. Mis.

Lees verder
1933
2023-01-28
Katholieke Encyclopaedie

25 delen, uitgegeven 1933-1939. Uitgeverij Joost van den Vondel te Amsterdam.

Kanon

➝ Canon.