Godsdienst betekenis & definitie

Godsdienst - Naam. De internationale naam voor het verschijnsel, dat wij g. noemen, is: religie. Ook ten onzent spreken velen liever van religie dan van g., 1) omdat er ook g.-en zijn zonder een god (b.v. het Boeddhisme), 2) omdat het woord „dienst” een te serviel karakter draagt, 3) omdat het woord religie een internationale aanduiding is. Het woord g. wordt gebruikt in verschillende beteekenis:

1) als aanduiding van een bepaald komplex van menschelijke geestesverschijnselen naast wetenschap, kunst, zede, magie, enz. ;
2) als aanduiding van één bepaalden vorm van religieus leven, b.v. de Christ. of de Mohammed, g. ;
3) als aanduiding van de innerlijke gemoedsgesteldheid van den enkeling, dus in den zin van „vroomheid”, b.v.: een „godsdienstig” mensch.

Wezen. Op allerlei wijze heeft men getracht een formule te vinden als antwoord op de vraag: wat is g. ? m. a. w. het wezen van den g. in woorden uit te drukken. Sommigen zochten het in hetgeen alle g.-en gemeenschappelijk hebben, een soort van „grootsten gemeenen deeler”. Zoo kwam men echter terecht bij een minimum van g. als wezen van den g. Anderen zochten het wezen van den g. daar, waar hij geacht werd voor te komen in zijn „eenvoudigsten” vorm, t.w. bij de z.g.n. „natuurvolken”. Maar 1) zijn de natuurvolken niet zoo „eenvoudig” als men wel meent;

2) is het geestesleven van de natuurvolken voor ons vrijwel onbenaderbaar, en niet in onze denkvormen uit te drukken ;
3) is het principieel onjuist het wezen van den eikeboom aan den eikel te willen bestudeeren, en het wezen van een mensch aan zijn embryo. Om het wezen van een verschijnsel te bestudeeren, moet men niet van den laagst-, maar van den hoogst-ontwikkelden vorm uitgaan : wat daar wezenlijk is, moet ook in de lagere vormen als wezenlijk worden aangenomen, al is het daar nog niet ontwikkeld. En dan kan men zeggen: g. is de verhouding tusschen God en mensch, welke verhouding van Gods zijde gezien „openbaring” heet, en van ’s menschen zijde zich beweegt tusschen twee polen : aanbidding (of vereering) en verlossingsbehoefte. Inderdaad zijn deze twee (zij het in verschillende mate en vorm) in alle religies aanwijsbaar. Natuurlijk moét de term „God” hier niet worden genomen in den strikt-Christelijken zin, maar als : goddelijke macht, welke voorstelling oneindig gevarieerd voorkomt: van den fetis af tot de Christ. godsvoorstelling toe. Maar overal komt uit de neiging om God persoonlijk op te vattten ; de onpersoonlijke of bovenpersoonlijke godsvoorstelling is meer filosofisch dan religieus (Neo-Platonisme, Brahmanisme, enz.). De beide faktoren van alle g., aanbidding en verlossingsbehoefte, uiten zich in de verschillende g.-en verschillend; zoo openbaart zich de verlossingsbehoefte bij de lagere g.-en als een willen verlost worden van uiterlijke belemmeringen : ziekte, misgewas, ongeluk, enz. ; bij hoogere g.-en (Griekenland, Indië, enz.), is het het willen lospellen van de „goddelijke” ziel uit den bolster der zinnelijkheid, d.i. der materie. In het Christendom, waar het probleem ethisch wordt opgevat, is het de verlossing van eigen zondigen aard. Hier vallen g. en ethiek samen.

Oorsprong. De oorsprong van den g. ligt in het duister. Historisch is de oorsprong niet te benaderen wegens gebrek aan bronnen en ook de meening, dat de tegenwoordige natuurvolken zoo ongeveer bij den oorspronkelijken vorm zijn blijven staan, is wetenschappelijk onbruikbaar gebleken. In hoofdzaak onderscheidt men drie theorieën:

1) de oudste g. was een oer-monotheisme, (zoo de kerkelijke traditie, A. Lang, W. Schmidt e. a.) ;
2) het was louter animisme en geestengeloof (Tylor, Spencer en de meeste ethnologen) ;
3) de vereering van een onpersoonlijke macht (mana), gew. aangeduid als „prae-aniniisme (Marett, Codrington, Söderblom e. a.). Verder spreekt men van vooroudervereering, Feticisme, Totemisme e. d. als de oudste religie, meestal op grond van het feit, dat deze verschijnselen bij de meeste natuurgodsdiensten voorkomen. Geen van deze theorieën is historisch waar te maken. De vraag naar den oorsprong van den g. is van psychologischen (niet van historischen) aard. De g. heeft geen aanwijsbaar-historischen oorsprong, maar is met den mensch als geestelijk-zedelijk wezen gegeven.

Godsdienst en Godsdiensten. De verhouding tusschen mensch en God openbaart zich historisch in allerlei vormen. De beteekenis dier verschillende godsdiensten en hun onderlinge verhouding wordt verschillend beoordeeld. Men kan de afzonderlijke g.-en beschouwen als evenzoovele religieuze talen, waarin de verschillende volken ieder op zijn manier, hun religieus bewustzijn uitdrukken. Op dit standpunt is natuurlijk de term „waar” of „valsch”, op welken g. ook, niet toepasbaar. Iedere g. spreekt dan met gelijk recht zijn eigen taal, d. i. heeft zijn eigen vormen en voorstellingen. Sedert Hegel zien velen in de verschillende g.-en fazen of trappen in den ontwikkelingsgang van het religieuze leven der menschheid, waarbij elke volgende staat op de schouders van de vorige: de Darwinische evolutie-gedachte toegepast op de religie. De kerkelijke traditie ziet in de verschillende g.-en verbasteringen van de ware oer-religie.

In de laatste jaren beginnen velen oog te krijgen voor de beteekenis der groote persoonlijkheden in den ontwikkelingsgang der religie : Boeddha, Mohammed, Mozes, Jezus, enz. Dat gaat te zamen met de erkenning, dat historisch de „ontwikkeling” van polydaemonisme tot polytheïsme en van daar naar monotheïsme niet aanwijsbaar is. Dat brengt ons tot het vraagstuk der Ontwikkeling. Het godsdienstig leven der menschheid heeft zich niet „ontwikkeld” „langs lijnen van geleidelijkheid”, als een onderdeel van de zich ontwikkelende kultuur, en onder den beheerschenden invloed der politiek. Wel heeft het godsdienstig leven een anderen vorm bij nomaden dan bij boeren, bij stamverband anders dan bij statenvorming, maar het wezen der religie wordt door deze factoren niet beheerscht; het kleinste volk der oudheid en tevens het minst kultuurkrachtige (Israël) was niettemin het eenige, dat een ethische en monotheïstische godsvoorstelling had. De religieuze „ontwikkeling” staat zelfstandig en autonoom naast de andere geestesuitingen van een volk. Ruwe religieuze gebruiken (kannibalisme, menschenoffer e. d.) leven eenerzijds voort bij hooge kultuur (Griekenland), worden anderzijds bij zeer lage kultuur door de religie zelf overwonnen.

Hoofdfaktoren. Als de voornaamste faktoren, die in het religieuze leven hun rol spelen, moeten worden genoemd: ascese, mystiek, kultus (offer), mythe, en ook magie.

Godsdienst en kultuur. De g. is een kultuurfaktor van den eersten rang. Vooral bij de natuurvolken en de oude kultuurvolken (Egypte, Babel, Griekenland, Rome) is dat duidelijk aan te wijzen. Koningschap, rechtspleging, sociale organisatie, wetenschap, kunst, akkerbouw, enz. zijn óf door den g. voortgebracht óf erdoor beheerscht. Een konflikt tusschen g. en kultuur is dan ook in de Oudheid niet aan te wijzen.

G. en kultuur staan er in onophoudelijke wisselwerking, en de g. is het cement, dat de verschillende kultuurfaktoren verbindt en een stevigen grondslag geeft voor de sociale samenleving. In het verloop van de historische ontwikkeling trad een antagonisme tusschen g. en kultuur ; een antagonisme, dat in de natuur der dingen ligt: g. ziet in de wereldsche goederen niet het hoogste; zoo ligt in elke eenigszins ontwikkelde g. een element van kleineering der kultuurfaktoren, welke kleineering tot vijandschap kan toespitsen in de mystiek (die in alle g. een belangrijke plaats bekleedt), en in het religieus pessimisme, dat zich als monnikenwezen (Boeddhisme, Christendom) en chiliasme openbaart. Worden deze trekken overheerschend, als in het Boeddhisme, dan staat de g. lijnrecht tegenover de kultuur. De spanning tusschen g. en kultuur beheerscht de wereldgeschiedenis.

Gepubliceerd op 24-01-2019