Kunst betekenis & definitie

Kunst, - is in wijderen zin alle door oefening verkregen bekwaamheid, b.v. kookkunst, zwemkunst. In engeren zin verstaat men onder k. de schoone kunst, die verdeeld kan worden in 1 zuivere, vrije (alleen de schoonheid beoogend) en 2 onvrije, waar zich ook niet-aesthetische doeleinden doen gelden (b.v. kunstnijverheid, rhetorika). — K. is het scheppen van een blijvend werk in aanschouwelijken vorm op grond van een ons gemoed bewegend doorleven. Alleen waar leven is (en dus gevoel, met de tegenstelling lust en onlust) is schoonheid. In alle kunst moet dus 1e. een innerlijk doorleven plaats hebben, dat er naar streeft zich uit te drukken, 2e. deze uitdrukking moet geschieden in een bepaalden vorm, 3e. gevoelsuitdrukking en vormgeving moeten in het kunstwerk een noodwendige eenheid uitmaken. — De k. doet ons dus het leven kennen en begrijpen, niet echter discursief (door begrippen) maar intuïtief.

Kunstenaar is hij, die een belangrijken menschelijken levensinhoud in een blijvend aanschouwelijk werk vastlegt en objectiveert, en zoo ook aan anderen het doorleven van dien inhoud mogelijk maakt. Dit laatste echter is secundair. De kunstenaar schept niet om anderen te doen kennen of genieten. Wanneer zijn werk voltooid is, is zijn doel bereikt. De kunst is vrij, autonoom, zij zelf stelt zich haar wetten. Zij heeft haar eigen doeleinden. Haar doel is niet theoretisch (begripskennis van de wetmatigheid in natuur en menschheid) en ook niet ethisch (zedelijke beoordeeling, verbetering van individu j en menschheid, volksopvoeding) maar zuiver aestiietisch : aanschouwing van het menschelijke (en de natuur, die echter alleen in het menschelijke bewustzijn gegeven is). Vooral in dat onderdeel, dat zich van het woord bedient (poëzie in den wijdsten zin) trekt zij ook het leelijice, dwaze en zedelijk-slechte (b.v. in roman en drama, komedie en tragedie) binnen haar gebied, evenwel niet om dat tot goed of kwaad te stempelen, maar om door de aanschouwing dier reeds gestempelde waarden ons leven te verrijken. „Onze aesthetische aanschouwing van het leven verwijdt, verbreedt onze menschheid.

Wat Goethe van Shakespeare zeide, dat door dezen zijn bestaan oneindig uitgebreid was, geldt van alle goede kunst, voor elk onzer. Want voor de kunst is dit het mooie van den mensch, dat hij noch god noch product is, maar een oneindige mogelijkheid”, (Haspels, Normen van aesthetiek, in Onze Eeuw 1913). Kunst is geen dienstmaagd van zedelijkheid en religie. Maar verwerpelijk is die decadente levensbeschouwing, die het genieten van schoonheid en het hebben van diepe emoties tot het eenige en hoogste levensdoel maakt. De dichter, wien zijn kunst ernst is, zal allerminst de normen van het praktisch leven willen afschaffen.

Want die geven hem den strijd, de conflicten, de bouwstof, den inhoud van zijn kunst. — Tusschen de bovengenoemde twee factoren gevoels-uitdrukking en vorm-geving bestaat nu een zeker antagonisme. Op zichzelf is de elementaire, vaak zuiver reflectorisch-onwillekeurige drang naar gevoels-uiting onbeheerscht, vormloos en slechts op expansie bedacht. Het streven naar vormgeving en objectiveering, moet noodwendig den dwang medebrengen om niet elke uitdrukking zonder onderscheid toe te laten, maar een keuze te doen, zich te beperken. Zoodra de kunstenaar het onderneemt om datgene, wat hij doorleefd en aanschouwd heeft, in een kunstwerk uit te drukken, is hij terstond op verschillende wijzen gebonden;

daardoor dat hij met de middelen van een bepaalde kunst moet werken. Elke kunst bedient zich van bepaalde middelen, en kan daardoor niet alles uitdrukken, b.v. de plastische kunst niet het successieve, de muziek geen door het begrip bepaalde voorstellingen; II. door den specialen vorm van het kunstwerk, dat de kunstenaar scheppen wil. Elke kunstvorm heeft zijn eigen wetten, die de kunstenaar in acht nemen moet, wanneer hij in dezen vorm iets wil bereiken (b.v. sonnet, tragedie, lied, requiem, kerkgebouw, relief, enz.). Zoo ligt dan in het vormelement iets conservatiefs, dat in sommige gevallen belemmerend werken kan, en waartegen dan het andere, de gevoelsuitdrukkingsdrang, in opstand komt. Deze laatste werkt eenerzijds ontbindend, daar hij er steeds toe drijft, strenge vormen te verbreken ten behoeve eener onbelemmerde uiting van gevoel en leven ; anderzijds toch ook positief scheppend, in zoover hij den kunstenaar brengt tot de poging om de middelen van uitdrukking te verhoogen en nieuwe, beweeglijker vormen te ontdekken. Men kan dat antagonisme der twee momenten ook nagaan in de moderne kunst (impressionisme, expressionisme, symbolisme in de beeldende kunst; het streven om de perken van een bepaalde kunst te overschrijden, b.v. in de zoogenaamde programma-muziek, enz.). — Tot een indeeling der kunst kan men niet komen door uit te gaan van het wezen van het uitgedrukte. De begrippen der afzonderlijke kunsten waren er eerder en zijn oorspronkelijker dan het samenvattende begrip „kunst”. De verschillende soorten van het uitdrukbare en objectiveerbare volgen uit voorwaarden, die buiten het aesthetisch gebied liggen, n.l. uit de eigenaardigheden onzer zinnelijkheid, waarbij wij staan aan een der grenzen van de logische afleidbaarheid van het aesthetische. Sommige zintuigen (reuk, smaak, tast) komen voor de kunst niet in aanmerking: er blijven slechts over: gezicht en gehoor.

Van het standpunt der zinnelijke waarneming (kleuren, gestalten, klanken en tonen; gelijktijdigheid en successie) kan men nu de volgende indeeling maken: I. kunsten alleen voor ’t gezicht: architectuur, beeldhouwkunst, schilderkunst (rustende beelden); II. kunsten alleen voor’tgehoor: poëzie en muziek. De eerste heeft als materiaal voorstellingen en begrippen ; de tweede : tonen en rhythmen (opeenvolging in den tijd); III. kunsten voor oog en oor, danskunst (levende, bewegende lichamen) en tooneelspeelkunst (bewegingen en gesproken woord). Hierbij zijn nog verschillende verbindingen mogelijk, b.v. gezang (poëzie en muziek), opera (tooneelspeelkunst, schilderkunst, muziek en poëzie), enz. Nog dient opgemerkt te worden, dat sommige kunsten (muziek, drama) een reproductie hunner werken vereischen, terwijl bij anderen een objectief werk aanwezig is, dat wel ook innerlijk gereproduceerd moet worden, om te kunnen worden verstaan en genoten, maar dat toch niet eerst door de reproductie tot werkelijkheid wordt. Het eerste is vooral ’t geval met die kunsten, die het successieve uitdrukken, daar haar werken steeds opnieuw moeten in ’t leven geroepen worden. De partituur of het gedrukte boek zijn immers slechts verwijzingen naar een kunstwerk, potentieele kunstwerken, die tot volle realiseering den virtuoos, den acteur of voordrager onontbeerlijk maken.