Oosthoek 1916

Nederlandse encyclopedie, uitgegeven van 1916-1925.

Gepubliceerd op 24-01-2019

God

betekenis & definitie

God - is voor het Christelijk besef niet slechts „het hoogste Wezen”, d.w.z. vergelijkender wijze hooger dan andere wezens, maar het Wezenzelf, d.w.z. God is het Wezen, dat eigenlijk alleen waarlijk is, onafhankelijk van alles wat door en buiten Hem moge bestaan. Intusschen is God niet een wijsgeerig begrip, doordat men al wat is herleidt tot eene levenlooze abstraktie, maar een religieuze grootheid, die al wat leeft draagt en bezielt. God is dus iets anders dan het absolute, het Universum, de wereld-idee, -grond, of -oorzaak, maar het Leven zelf, en tegelijk de Levende, d.w.z. God is zich zelf bewust en bepaalt zich zelf, zoodat de mensch persoonlijk tot Hem in betrekking kan staan als tot zijn God en Vader. Vandaar dat God voor het Chr. besef een voorwerp is niet van denken, maar van geloof in de eerste plaats; niet een denkbeeld, maar een werkelijkheid; niet wordt begrepen, maar gediend en aangebeden. — Het bestaan van God betreft de vraag, of er boven de wereld en den mensch verheven een Wezen bestaat, waarvan de wereld en de menschheid volstrekt afhankelijk zijn.

Het wordt ontkend door hen, die in God de uitdrukking zien van de wenschen, de redeneeringen van den mensch zonder werkelijkheid: dus een illusie (zoo het atheïsme en illusionisme); of de personificatie van natuur- of zedelijke krachten; dus een symbool. Het wordt in het midden gelaten door hen, die de kenbaarheid van en in het algemeen het contact met God achten te vallen buiten de vatbaarheid van den mensch (zoo het agnosticisme). — De vraag is, of het bestaan van God wetenschappelijk bewijsbaar is. Men heeft reeds in de oude Grieksche wijsgeerige scholen z.g. bewijzen voor het bestaan van God ontwikkeld, en de Chr. theologie heeft deze overgenomen en uitgebreid. In de R. K. theologie gelden zij nóg als zoodanig, d.w.z. als wetenschappelijke argumenten, die, afgezien van de religieus-zedelijke gesteldheid van hem, wien zij gelden, elk intellektueel normaal mensch moeten overtuigen van het bestaan van God. Ook in Prot. dogmatiek hebben zij lang als zoodanig gegolden, vooral in de z.g. scholastische periode (17e en 18e eeuw). In de 16e eeuw legde men daar meer nog nadruk op het au fond religieus-ethische karakter van elke betrekking tusschen God en mensch.

Kant heeft het onvoldoende dezer bewijzen, n.l. als zuiver theoretische argumentaties, aangetoond en het bestaan van God gemaakt tot een postulaat, d.w.z. een eisch van de z.g.praktische rede of het geweten. Men onderscheidt voornamelijk zes, d.i. drie paar bewijzen: a) 2 zijn ontleend aan de natuur, b) 2 aan de geschiedenis, c) 2 aan het geestesleven van den mensch. a) 1. het kosmologisch bewijs, dat uitgaat van het bestaan der wereld (Gr. kosmos); alles heeft eene oorzaak, dus ook de wereld; deze oorzaak is God. 2. het tellologisch of physico-theologisch bewijs, dat uitgaat van de doeltreffende (Gr. telos: doel) inrichting der wereld of der natuur Gr. physis: natuur) en daaruit besluit tot den goddelijken kunstenaar, die dit geheel leidt, b) 3. het bewijs uit de overeenstemming der volken in zooverre altijd en overal godsdienst voorkomt; dit moet dus iets wezenlijks, natuurlijks zijn. 4.het historische bewijs, dat in de geschiedenis eene boven-menschelijke leiding opmerkt en deze aan God toeschrijft, c) 5. het ontologische bewijs (Anselmus), dat uitgaat van de Godsidee. Deze heeft God tot inhoud als het Wezen, boven hetwelk niets grooters kan gedacht worden en dat dus niet alleen in de idee, maar ook in de werkelijkheid moet bestaan om inderdaad het hoogste denkbare te zijn. 6. het moreele of gewetensbewijs (Kant). Het geweten eischt de verbinding van (on)deugd en (on)geluk. Deze verbinding kan slechts tot stand gebracht worden door God. Al deze z.g. bewijzen kunnen inderdaad geen theoretische argumenten zijn, omdat 1. zij zich beroepen op redeneeringen, terwijl het bestaan van God een zaak is van den geheelen mensch, en bepaaldelijk voor zijn hart;

2. deze redeneeringen bij den geloovige een ander karakter dragen dan bij den willekeurigen mensch, wiens rede volgens het chr. besef bedorven is en dus niet in staat over goddelijke dingen juist te oordeelen;
3. deze redeneeringen ten hoogste leiden tot eene erkenning van eene laatste oorzaak, een ledig begrip, de som of de limiet der eindige dingen, terwijl God de levende en levensvolle Macht is, die soortelijk verschilt van en wezenlijk verheven is boven al wat als schepsel bestaat. — Hiermede zijn de z.g. bewijzen nog niet waardeloos gemaakt, mits hun de aanspraak van logische, exacte bewijzen ontnomen wordt en zij gelden als getuigenissen, aanwijzingen voor het bestaan van God. Zij dragen een analytisch, geen synthetisch karakter. Zóó opgevat hebben zij waarde voor den volledigen mensch, ook voor zijn intellekt:
1) omdat zij alles, in de wereld der natuur, der geschiedenis, des gewetens, der gedachte, voor den geloovige doen getuigen van God en zijn bewustzijn verhelderen;
2) omdat zij den ongeloovige en twijfelende de onhoudbaarheid van het ongeloof kenbaar maken en hem tot nadenken en toenadering kunnen brengen. Op deze wijze komen zij voor in de H. S., die overal het bestaan van God onderstelt en dit nergens wetenschappelijk bewijst. Zie Rom. 1: 19 v., Jes. 40 : 24 v. Ps. 8: 9, Rom. 2:14. Het bestaan van God is een zaak van onmiddellijke zekerheid (evidentie), die door alle bewijzen wordt ondersteld. God dringt zich als onwederstaanbaar op aan den mensch, den geheelen mensch, ook aan zijn intellekt. Trouwens, alle diepste gronden van zekerheid, ook op logisch, historisch, ethisch terrein, dragen zulk een axiomatisch karakter. Zie GELOOF. In onzen tijd, nu de mechanische, materialistische wereldopvatting voor eene organische, spiritualistische plaats maakt—vgl. vitalisme, (physisch en metaphysisch) monisme, pluralisme — stijgt de waarde der bewijzen, als uitdrukking van het leven, de bezieldheid en de redelijkheid der wereld.— De kenbaarheid van God, zonder welke van God geen sprake of gedachte kan zijn, draagt dus een bijzonder karakter.

Zij onderstelt eenige overeenkomst tusschen God en den mensch als schepsel van God, en 1) de mededeeling van Gods zijde: de openbaring, en 2) de vatbaarheid daarvoor van ’s menschen zijde: het geloof. Zij draagt altijd een gebrekkig, voorloopig karakter in verband met den feitelijken abnormalen toestand van mensch(heid) en wereld. Men spreekt van drie wegen tot Godskennis, 1) door God, als boven het eindige verheven, alle kenmerken daarvan te ontzeggen; 2) door Hem, als oorzaak van het eindige, ze alle toe te kennen; 3) door Hem, als tegelijk boven het eindige verheven en er mede verwant, ze bij uitstek toe te schrijven, b.v. God is niet goed (n.l. zooals wij), God is goed, God is meer dan goed. Onderscheid wordt gemaakt tusschen Gods openbaring en zijn Wezen. De eerste onderstelt en drukt uit het laatste, maar moet er van worden onderscheiden, in zooverre God niet slechts de wereld-idee, of levenskracht is, maar een Wezen apart, dat zijn quant a moi behoudt. Dit wordt bedoeld met de uitdrukking: het Wezen Gods, d. i. datgene wat God als God onderscheidt, zijn God-zijn zonder meer. Hij heeft als de ééne (d. i. tegenover meerderen), eenige (d. i. van welken anderen ook onderscheidene), eenvoudige (d.i. nietsamengestelde), volstrekt onafhankelijke, het leven in zich zelven, als de levende (tegenover de doode afgoden), geestelijke (tegenover het stoffelijke, onbewuste, gebondene) God. Men noemt dit theologisch de aseïtas: het van-zich-zelf zijn (kerkel.

Latijn; a se: van zich) wijsgeerig uitgedrukt de absoluutheid (lat.: absolutus los gemaakt) van God. Vgl. den godsnaam Jhvh: Ik ben, die ik ben (Ex. 3 : 14). Bij Vondel (Lucifer): ,,die by sich bestaet, geen steun van buiten ontleent, maer op sich selven rust”. Dit is de uitdrukking voor de transcendentie, de verhevenheid of majesteit van God, die het Christendom van het pantheïsme onderscheidt, en den achtergrond vormt van zijne immanentie of inwoning in de schepping, waaraan dualisme en deïsme te kort doen. De eenheid van God(s wezen) is de onderstelling, die het christendom aan het Israelietisme dankt. Zie MONOTHEÏSME. Met deze eenheid van Wezen gaat voor de christ. belijdenis echter een drie heid van personen of betrekkingen in het goddelijke wezen gepaard.: Drieëenheid (triniteit). Het woord persoon heeft in dit verband een bijzonderen zin.

De drie staan niet afgezonderd, naast elkaar, maar bestaan in wisselwerking in het Wezen Gods als bestaanswijzen. Aan God worden tal van eigenschappen toegekend; enkele aan de bijzondere personen: aan den Vader het ongeboren-zijn en het vaderschap ; aan den Zoon het Zoonschap, aan den II.Geest de uitgang van den Vader en den Zoon. Deze eigenschappen (Lat. proprietates) betreffen speciaal relaties in het Wezen Gods. Alle overige eigenschappen (Lat. attributa) betreffen, in zooverre zij zich naar buiten openbaren, de godheid in haar geheel, ook al worden zij aan een der personen in het bijzonder toegeëigend (geapproprieerd), b.v. almacht aan den Vader, wijsheid aan den Zoon, heiligheid aan den II. Geest. Eigenschappen zijn bij God niet als bij den mensch los van elkaar en van den persoon als zoodanig, zoodat men zekere eigenschappen kan bezitten of missen en de eene met de andere in strijd kan zijn. Zij zijn openbaringen in Gods wezen in de onderscheidene betrekkingen tot zijne schepping en dus één met Hem en elkander. Eenerzijds worden zij dus naar analogie, van wat de mensch in zich bevindt, voorgesteld; anderzijds zijn ze werkelijk in God aanwezig. — Tusschen eigenschap en naam bestaat eigenlijk geen verschil; de laatste is meer geijkt, vaststaande.

De eigenschappen worden op verschillende wijze gegroepeerd, gewoonlijk als 1) metaphysische, onmededeelbare, negatieve: zij beschrijven den aard van Gods Wezen en dat wat God van de schepping onderscheidt; 2) moreele, mededeelbare, positieve: zij drukken uit wat God met de schepping verbindt. Zij geven inhoud aan 1). Tot 1) behooren: onveranderlijkheid (van wezen en wil), oneindigheid (onafhankelijkheid ten aanzien van de ruimte) onmetelijkheid, alomtegenwoordigheid, eeuwigheid (onafhankelijkheid ten aanzien van den tijd). Tot 2) behooren almacht, vrijmacht, alwetenheid, alwijsheid, waar(achtig)heid, liefde (God deelt zich mede), heiligheid (God is afgescheiden van het profane); verwant is majesteit, gerechtigheid, rechtvaardigheid (God handhaaft den norm), barmhartigheid (de toepassing van Gods liefde ten aanzien van ellende); verwant genade (deze toepassing ten aanzien van de zonde); lankmoedig (geduldig); verwant goedertieren; heerlijkheid, zaligheid. De eigenschappen Gods drukken zijne levensvolheid uit, zoowel zijne verhevenheid als gemeenzaamheid (Jes. 57:7). Hetzelfde doen zijne namen. Deze zijn öf algemeen b.v. God; öf zij drukken eene bepaalde betrekking van God tot wereld of mensch uit. Zoo Jhvh in den zin van den God, die zich zelf gelijk blijft, de getrouwe voor zijn volk (Israël); Heer(e), Koning, bepaaldelijk Vader: van Jezus Christus en door hem van den Christen.

In zake de betrekking tusscnen God en de wereld, deze wordt ondersteld haar grond te hebben in God, bepaaldelijk in Gods raad, d. i. de goddelijke idee, het eeuwige model van wat in den tijd zich vertoont. Deze raad laat zich slechts voorstellen naar analogie van wat zijn verwerkelijking in de vormen van tijd en ruimte te zien geeft. Vandaar dat hij wordt voorgesteld als een (raads)besluit, dat zich uitstrekt over het ontstaan, verloop en doel der wereld. Het omvat dus de sferen van de natuur, de geschiedenis en het innerlijke, geestelijke leven. Zoo ontwikkelt zich deze raad of dit plan in voor ons bewustzijn onderscheidene momenten of besluiten.

Hierbij wordt dus in God een redelijke wil ondersteld. Verwant is het Platonisme, dat de zichtbare wereld voor den afdruk van de onzichtbare, die der ideeën, houdt. Maar het Chr. houdt beide werelden voor ontstaan uit God, in wien alle ideeën haar grond en samenhang hebben. De H. S. spreekt van besluiten (Luk. 21: 22), voornemen (Rom. 8 : 28), raad, voorkennis (Hand. 2: 23), niet abstrakt, los van hunne verwerkelijking, maar daarin zich ontvouwend. Zij worden onderscheiden in 1) dat aangaande de schepping in het algemeen;

2) de redelijke schepping: de menschen in het bijzonder;
3) de geloovigen, zeer in het bijzonder.

Ten aanzien van 1) geldt de Voorzienigheid (providentie), van 2) en 3) de voorbeschikking (praedestinatie), onderscheiden in verkiezing (electie) en verwerping (reprobatie) als ongelijkwaardige grootheden. Zijn nu Gods besluiten absoluut, d.w.z. onafhankelijk van iemand of iets buiten God, of relatief, d.w.z. min of meer afhankelijk van het gebruik, dat het schepsel van de hem verleende zelfstandigheid en vrijheid maakt? In het 2e geval is de sfeer der voorbeschikking even groot als die der voor-wetenschap en vallen dus de besluiten sub l), 2) en 3) niet samen. In het le geval legt men — zoo Paulus, Augustinus, de Gereformeerden — den nadruk op de souvereiniteit, de almacht van God, en de door de zonde veroorzaakte onmacht van den mensch; in het 2e geval — zoo Pelagius, de R.Kath. en Luth. theologie, de Remonstranten — op de vrijheid en de door de zonde niet gebroken natuurlijke kracht van den mensch. Verwant is de vraag: gaan in de orde van Gods besluiten de verkiezing en verwerping vooraf aan den zondeval van Adam, of volgen zij op den val, zoodat zij dezen dus onderstellen. In het le geval het z.g. supralapsarisme of gevoelen der boven-valdrijvers. In het 2e geval het z.g. infralapsarisme, of gevoelen der beneden-valdrijvers (Lat. supra: boven, infra: beneden, lapsus: val). De raad Gods realiseert zich in ruimte en tijd als de bestaansvormen van het geschapen leven, door de schepping. Dit woord beteekent zoowel de daad der schepping; de creatie (Lat. creatio), als de uitkomst van deze daad: de creatuur (Lat. creatura).

Zij wordt opgevat als eene vrije daad van God, die in Hem geen verandering, hetzij verarming of verrijking, te weeg brengt. Hierbij onderscheidt het Christ. scheppingsgeloof zich sterk van eiken vorm van emanatie of dualisme. De schepping is een volstrekt wonder voor den mensch, die zelf schepsel is en dus tot eene wezenlijk andere orde behoort dan God, geheel onbegrijpelijk. Over de onderscheiding tusschen le en 2e schepping en de vele geledingen en trappen in de ééne schepping, zie SCHEPPING. — Op de daad der schepping door God volgt die der Voorzienigheid, zoodat de wereld in haar oorsprong, verloop en voltooiing afhankelijk is en blijft van God. De Chr. theologie is zich bewust van het onderscheid tusschen God en Gods-begrip. Het laatste tracht b.v. in de leer der Drieëenheid de levensvolheid van God uit te drukken, vooral in hare verhevenheid boven en verband met de wereld, en het onderscheid tusschen God en het heelal, enz. te handhaven — de levende God, van wien de geheele mensch en de geheele wereld afhankelijk is en die een God is van gerechtigheid, wijsheid en liefde. ,,De godheid der Christenen bestaat niet in een God, die eenvoudig de oorsprong is der geometrische waarheden en de orde der elementen: dit is het deel der heidenen. Zij bestaat niet eenvoudig in een God, die zijne voorzienigheid uitoefent over het leven en de goederen der menschen om een gelukkige reeks van jaren te geven aan hen, die Hem aanbidden: dit is het deel der Joden. Maar de God van Abraham en Jacob, de God der Christenen is een God van liefde en van troost; het is een God, die de ziel en het hart vervult, die hij bezit; het is een God, die hun inwendig doet gevoelen hunne ellende en zijn oneindige barmhartigheid; die zich vereenigt met het diepst van hunne ziel; die haar vervult met nederigheid, vreugde, vertrouwen, liefde; die hen onvatbaar maakt voor eenig ander doel dan Hem zelven” (Pascal).— A. Bruining, Het bestaan van God, 1892;

J. R. Slotemaker de Bruine, Het geloof aan God in de twintigste eeuw, 1914; G. Wobbermin, Der christliche Gottesglaube in seinem Verhältnis z. heutigen Philosophie und Naturwissenschaft, 1907.