Oosthoek 1916

Nederlandse encyclopedie, uitgegeven van 1916-1925.

Gepubliceerd op 17-01-2019

Spreken

betekenis & definitie

Spreken - De stem is niet gelijk bij spreken en bij zingen. Het geluid van de zangstem heeft tegenover dat van. de spreekstem de eigenaardigheid, dat de grondtoon op den voorgrond treedt en de klankmassa domineert. Bij het s. is de grondtoon zelfs moeilijk te schatten. Door eenvoudig luisteren stelde Gutzmann hem voor mannen op a tot e, voor vrouwen op a tot e1 vast.

Het s. behoort zooveel mogelijk in het borstregister (zie STEM) te geschieden, omdat in het faussetregister te veel lucht verloren wordt en dus de ademverdeeling, die door het zinsverband wordt bepaald, moeilijkheden baart. Het inzetten van den toon bij het spreken kan plotseling of geleidelijk geschieden; het laatste wordt door stemhygiënisten beter geacht dan het eerste. Ook de vrijheid van beweging van het strottenhoofd moet in acht genomen worden ; s. met vaststaand strottenhoofd is niet goed, omdat dan noch klinkers, noch medeklinkers goed tot hun recht komen en spoedige vermoeienis optreedt. Behalve de luide spraak, is ook nog fluisteren mogelijk. Dit geschiedt door de stemspleet in haar volle lengte of alleen in het achterste gedeelte wijd geopend te laten en haar dan aan te blazen. Bij den eersten stand ontstaat het gewone, in den tweeden het tooneelmatig fluisteren. De spraakgeluiden kunnen geanalyseerd worden. In 1857 ontdekte Donders de tonen, die in elk vocaalgeluid domineeren ; later is dit door verfijnde instrumenten onderzocht.

In hoofdzaak voert de analyse van het ingegriffelde schrift in de phonograaf ons tot het doel. Met een dergelijk onderzoek is wel gebleken, dat het nog uitermate moeilijk is, de vocalen in haar tot standkomen, haar domineerende en versterkende tonen, nauwkeurig te leeren kennen. De ,,oe” heeft wel den laagsten, de ,,i” den hoogsten grondtoon. De analyse der medeklinkers heeft bijna uitsluitend plaats afgaande op het gehoor. Men onderscheidt halfvocalen (l, m, n, ng), die vrij laag in de toonladder liggen ; de ratelconsonant, die zich op de phonograaf als een zweving van den voorafgaanden en den volgenden klinker voordoet ; wrijvingsgeruischen en slagconsonanten. Tijdens de voortbrenging van spraakgeluiden vormen zich in de spreekbuis eenige engten, die voor klinkers zoowel als medeklinkers beteekenis hebben. Deze engten zijn : de stemspleet ; tongwortel en keel ; tong en tanden en de lippen.

De bewegingen, die bij het tot stand komen dezer engten gepaard gaan, kunnen soms uitwendig gezien worden ; waarvan o. a. het doofstommenonderwijs de vruchten plukt. Spreken, d. w. z. gearticuleerd spr., is uitsluitend aan den mensch eigen. Het heeft niet ontbroken aan theorieën om deze specifiek menschelijke eigenschap met anatomische kenmerken in verband te brengen. In de hersenen komt het spraakcentrum voor, dat door zijn microscopischen bouw zich als een specifiek menschelijk gebied doet kennen. Aan de onderkaak komt een kinuitsteeksel voor en ook dit wordt met het spraakvermogen in verband gebracht. Een goede verklaring voor het ontstaan van het spreekvermogen bij den mensch is nog niet gegeven.