Oosthoek 1916

Nederlandse encyclopedie, uitgegeven van 1916-1925.

Gepubliceerd op 13-12-2018

Doleantie

betekenis & definitie

Doleantie - Bezwaar, klacht; een kerkelijk verschijnsel, dat in de Ned. Herv. kerk ontstond in de tachtiger jaren van de 19de eeuw, toen vele leden dier kerk zich van haar afscheidden, omdat de Synode de vrijheid in de leer huns inziens te ver uitstrekte; een verschijnsel, dat evenals de Afscheiding in de dertiger jaren voortkwam uit de ontwaking van den Gereformeerden geest, die lang gesluimerd had, en met haar samenvloeide in „de Gereformeerde kerken in Nederland”. Het verschijnsel en de naam herinnert aan hetgeen in den aanvang van de 17de eeuw hier te land geschiedde, toen „doleerende Kerken” in hun verzet tegen het optreden der Remonstranten zich van hen afscheidden ter handhaving van de Gereformeerde leer en kerkinrichting. Doleeren beteekent dus zoowel zich beklagen, klachten inbrengen, als zich bij de doleantie aansluiten. — De nieuwe wet op het Hooger Onderwijs in 1876 had aanleiding gegeven tot de aanstelling van kerkelijke hoogleeraren.

De Synode benoemde slechts één orthodoxe. Dit wekte verbittering bij de orthodoxen, onder wie een scheuring ontstond, toen in 1880 een vrije Universiteit op Gereformeerden grondslag te Amsterdam tot stand kwam. In 1879 had bovendien de Synode een „Reglement op het Godsdienstonderwijs” definitief vastgesteld, waarin de ergerlijke bepaling voorkwam, dat bij de aanneming van lidmaten „bezwaren tegen de geloofsovertuiging der aannemelingen geen grond ter afwijzing opleveren” mochten, als de mate hunner kennis voldoend was en zij bereid waren drie vragen te beantwoorden, zóó vaag, dat nagenoeg ieder dat kon. In 1883 werd bovendien een nieuwe proponents-formule vastgesteld, waarin zelfs de naam van Christus niet voorkwam. De verontwaardiging was algemeen. Onder leiding van Dr. A. Kuyper werd nu 11 April 1883 eene vergadering te Amsterdam gehouden van afgevaardigden van kerkeraden der Ned. Hervormden, die instemming betuigden met de formulieren van éénigheid als accoord van kerkelijke gemeenschap, omdat zij waren overeenkomstig Gods Woord.

Deze vergadering was het begin der doleantie. Men besloot o. a. het kerverband van 1816 te verbreken, indien men zou worden verhinderd „Koning Jezus als Souverein in zijne Kerk te eeren”. Indien een plaatselijke kerkeraad de Gereformeerde belijders tegenstond, dan zouden dezen de gemeenschap met dien kerkeraad opzeggen, zelf ouderlingen en diakenen benoemen en voorloopig als doleerende Kerk optreden. Terwijl nu de gemoederen tegen de „ongoddelijke besturen” werden opgezweept, wachtte men op eene gelegenheid om in doleantie te gaan. Dan zou tevens de weg tot het predikambt gebaand zijn voor de studenten der Vrije Universiteit, voor wie als zoodanig de toegang tot de Herv. Kerk was gesloten. Die gelegenheid deed zich weldra voor. In April 1886 namelijk gaf de kerkeraad van Kootwijk op de Veluwe, welke gemeente reeds 18 jaar vacant was, op aandrang van Dr.

F. L. Rutgers, hoogl. aan de Vrije Univ. en ouderling der Amsterdamsche gemeente, schriftelijk toezegging van beroep aan J. H. Houtzagers, een leerling van de Vrije Univ., die, na te Utrecht geëxamineerd te zijn door gecommitteerden, van de kerkeraden van Kootwijk, Voorthuizen en Nijkerk, het beroep, hoewel daartoe niet volgens de reglementen der Kerk bevoegd, . aannam. De kerkeraad van Kootwijk werd nu 1 Febr. 1886 door het Class. Bestuur van Harderwijk geschorst en besloot den volgenden dag weder in te voeren de kerkenordening, in de Nat. Synode te Dordrecht den 28 Mei 1619 vastgesteld. Kootwijk was dus de eerste gemeente, die het kerkverband verbrak en in doleantie ging Inmiddels was in het begin van 1885 te Amsterdam een conflict uitgebroken, waar de leiders daarvan reeds wisten wat er te Kootwijk broeide. Die leiders waren de beide professoren aan de Vrije Universiteit Kuyper en Rutgers, die ook wijk-ouderlingen waren van den modernen predikant Dr. Berlage. Toen deze en zijne collega’s Ternooy Apèl en Laurillard de hun door den kerkeraad aangewezen ouderlingen verzochten den noodigen bijstand te verleenen bij de aanneming hunner leerlingen, werd zulks geweigerd en deze weigering door den kerkeraad goedgekeurd.

Toen nu die leerlingen in een naburige gemeente wenschten aangenomen te worden en van den kerkeraad het daartoe bij de kerkelijke wet vereischte „getuigschrift van zedelijk gedrag” verzochten, weigerde de kerkeraad eveneens deze attesten af te geven, indien de aanvragers niet vooraf een verklaring ten opzichte van hun geloof aflegden. Zoo ontstond de attestenquaestie, die tot een kerkelijke procedure leidde, alle kerkelijke stadiën doorliep en, met eene beheers-quaestie gemengd, den 4 Januari 1886 leidde tot de provisioneele schorsing van tachtig leden van den kerkeraad, terwijl volgens een besluit van de Alg. Synodale Commissie de attesten vóór 8 Januari 1886 moesten worden afgegeven. Het Class. Bestuur van Amsterdam, waarvan Dr. G. J. Vos Az. de bezielende leider was, gaf, „doende wat des kerkeraads was”, de attesten. De geschorsten, waaronder ook Kuyper en Rutgers waren, trachtten in het bezit van de kerkgebouwen te blijven en toen dit niet langer ging, hielden zij godsdienstoefeningen in gehuurde localen. Inmiddels werden de geschorsten bij verschillende vonnissen en ten slotte Dec. 1886 bij eindvonnis uit hunne kerkelijke bedieningen ontzet „wegens verstoring van orde en vergrijp in de uitoefening van kerkelijke betrekkingen”.

Er bleef hun nu niets anders over dan te doen, wat in Kootwijk reeds was geschied. Het daar gegeven voorbeeld was reeds gevolgd te Voorthuizen, Reitsum, Leiderdorp en Kollum. Te Amsterdam werd nu ook 16 Dec. 1886 een doleerende Kerk gesticht. Op een „Gereformeerd kerkelijk Congres” te Amsterdam —14 Jan. 1887 gehouden, werden plannen beraamd om in het geheele land de Doleantie zoo algemeen mogelijk te maken. In tal van gemeenten werd nu achtereenvolgens het „synodale juk afgeworpen” en de „reformatie ter hand genomen”. Zoo ontstonden vele doleerende Kerken, de meeste echter uit weinige leden bestaande. Het aantal predikanten, met de doleantie mee gaande, was echter kleiner dan men verwacht had, in ’t geheel slechts 56, waarvan later slechts drie in de Herv. Kerk terugkeerden.

De doleerenden beweerden zich niet te willen afscheiden, maar de voortzetting van de Kerk der Vaderen te zijn. Zij noemden zich dan ook „Nederduitsche Gereformeerde Kerken” en voerden de Dordsche kerkenordening van 1619 weer in. Zij werden bediend door de predikanten, die in doleantie waren gegaan, door Candidaten van de Vrije Universiteit en de Theol. School te Kampen en door oefenaars, van welke sommigen volgens Art. 8 van genoemde kerkenordening tot predikant werden gepromoveerd. Zij hielden hun recht op de kerkelijke goederen en fondsen staande, hetgeen tot vele burgerlijke processen leidde, die zij echter alle verloren. Zij spraken van den beginne af den wensch uit tot vereeniging met de Chr. Geref. Kerk.

In eene vereenigde zitting der Synodes van beide Kerken, den 17 Juni 1892 te Amsterdam bijeengekomen, had de samenvloeiing van beide groepen in één kerkverband plaats. Zij zouden voortaan optreden onder den naam „Gereformeerde Kerken”, met weglating van elke bijvoeging. — Litteratuur: Dr. G. J. Vos Az., Het Keerpunt in de jongste geschiedenis van Kerk en Staat. De eerste bladzijde der tweede afscheiding. Dordrecht 1887; D. de Wit, Kudde en herder.

Van kerkelijk Kootwijks verleden en heden. Utrecht, 1911; J. C. Rullmann, De Doleantie in de Ned. Herv. Kerk der XIXe Eeuw, Amsterdam 1916.