Oosthoek 1916

Nederlandse encyclopedie, uitgegeven van 1916-1925.

Gepubliceerd op 13-12-2018

Delft

betekenis & definitie

Delft, - gern, in de prov. Z.-Holland. De gern, heeft een oppervl. van bijna 560 H.A.; behalve hetstedelijkgedeelteomvat ze den Wippolder, bijna geheel volgebouwd, den Noordpolder van Delfgauw (ged.), den Bieslandschen bovenpolderen den Krakeelpolder; deze laaggelegen polders zijn meest wei- en tuinland, De tegenwoordige stad heeft zich tot diep in het grondgebied van de twee omliggende gemeenten uitgebreid en omvat zelfs een gedeelte der gemeente Rijswijk. — D. ligt aan den spoorweg Amsterdam—den Haag—Rotterdam, 8 K.M. van den Haag en 16 K.M. van Rotterdam; bovendien is zij door een stoomtram met den Haag en door een andere met Schipluiden, Maasland, Maassluis en het Westland verbonden. Te water ligt zij aan het provinciale Rijn-Schie-kanaal, dat ten N. om de stad loopt; door een tweede vaart heeft zij verbinding met Vlaardingen en Maassluis en door andere vaarten, slechts voor kleinere vaartuigen geschikt, met het Westland en met hét Oosten.

De stad wordt door vele grachten doorsneden, die aan den Z.W.-kant bijna alle van Z.O. naar N.O. loopen. Ook het groote vierkante marktplein was vroeger geheel en nu nog grootendeels door water omgeven. Die jvele grachten geven de hier en daar sterk gemoderniseerde stad een schilderachtig, intiem aanzien. Door een grooten brand, die erin 1536 gewoed heeft, zijn er weinig löe-eeuwschc huizen, daarentegen veel 16e-eeuwsche. Onder de openbare gebouwen zijn slechts enkele kerken uit de Middeleeuwen over. De dikwijls vergroote Oude of St. Hypolitus-kerk van ongeveer 1250 heeft als onderbouw van den scheefverzakten toren een Fränkischen wachttoren; de kerk zelf bevat de graftombes van de zeehelden Piet Hein en Maarten Harpertszoon Tromp, van den natuurkenner Van Leeuwenhoek en van Elisabeth, de dochter van Marnix van St. Aldegonde.

Een gedenksteen houdt de gedachte aan Boot, den Delftschen wonderdokter van Mevrouw Bosboom-Toussaint, levendig. De Nieuwe kerk, aan St. Ursula gewijd en waarvan de bouw van 1381 tot 1481 geduurd heeft, heeft een toren van 109 M. Deze van een mooi carillon voorziene toren is bij den brand van 1536 reeds gedeeltelijk in de asch gelegd en heeft op 29 September 1872 door bliksemvuur ten tweede male de spits verloren. De kerk zelve bevat het mooie mausoleum van de Oranjes met een aan Prins Willem I gewijde graftombe van Hendrik de Keyzer en verder, behalve het grafmonument van Hugo de Groot, enkele andere gedenkteekenen ter nagedachtenis van leden van ons Vorstelijk Huis, wier stoffelijk overschot in de laatste jaren naar Delft is overgebracht. Op de Markt staat het bronzen standbeeld van Hugo de Groot, die hier 10 April 1583 geboren werd, en het stadhuis, dat Hendrik de Keyzer na een brand in 1618 herbouwde. In het Prinsenhof, een deel van het vroegere St. Agatha-klooster, werd Willem de Zwijger op 10 Juli 1584 door Balthazar Gerards vermoord; ter nagedachtenis daaraan is een zaal tot een herinneringsmuseum aan hem ingericht. De bovenlokalen bevatten het stedelijk oudheidkundig en ethnografisch museum; het klooster wordt verder bijna geheel voor militaire doeleinden gebezigd; alleen dient de groote kapel voor de godsdienstoefeningen der WaalschHervormde gemeente en is het Noord, gedeelte beneden bij armeninrichtingen in gebruik en boven tot een fabriek voor gebrand glas ingericht.

Niet ver daarvandaan is het mooi ingerichte Rijksmuseum-Lambert van Meerten. Van het in de 13e eeuw gestichte Bagijnhof is slechts de poort met een zeer onduidelijke voorstelling van „ Johannes op Padmos” over. Middeleeuwsch zijn verder nog de St. Joris-kapel (nu de Luthersche Kerk), de kapel van het Magdalena-klooster op het voorplein van den Doelen en de onlangs van buiten gerestaureerde Heilige Geestkapel. De gebouwen der Technische Hoogeschool (vóór 1905 Polytechnische School) zijn over de geheele stad verspreid. De inrichting telt meer dan 50 professoren, vele andere leerkrachten en meer dan 1500 studenten. Delft had van 1866 tot 1900 een Inrichting tot opleiding van Indische bestuursambtenaren, heeft verder artilleriewerkplaatsen, een kruittoren buiten de stad en een groot garnizoen. D. heeft een Donderdagsche weekmarkt, die evenals hare jaarmarkt reeds in het eerste handvest der stad (1246) genoemd wordt, een bloeiende boter- en kaasmarkt en een groentemarkt, die onder de grootste van Nederland wordt gerekend en een jaarlijkschen omzet van over de millioen gulden heeft.

Er is veel nijverheid, die echter voor een groot gedeelte in het stadsdeel van Hof van Delft en Vryenban gevestigd is: zoo o.a. de Ned. Gist- en Spiritusfabriek, de Oliefabriek, een glasblazerij, de machinefabriek Reineveld, de lijm- en gelatinefabriek Reineveld, de ijzerpletterij voorheen Enthoven en Co. en de Nederlandsche Kab elfabriek. In de gemeente zelf liggen een drietal leerlooierijen, een blikfabriek, vele bleekerijen, eenige branderijen en een groentedrogerij. De vroeger zoo belangrijke bierindustrie is geheel uitgestorven. Het eens zoo gezochte Delftsch aardewerk, dat in vele plateelbakkerijen vervaardigd werd, komt nu voor het allergrootste deel slechts uit ééne inrichting, die echter een ander procédé volgt. De bevolking kan niet armoedig genoemd worden; ook de winkelstand is welvarend, maar deze draagt zware lasten, daar vele welgestelden in Hof van Delft, Vrijenban, Rijswijk of elders (den Haag) wonen. Zij is in getal sterk vooruitgaande en voor een groot deel Katholiek. Het aantal inwoners bedroeg in 1899: 31.582, einde 1916: 36.665; dat van de stad (dus met de stadsgedeelten van Hof van Delft, Vrijenban en Rijswijk) is op minstens 50.000 te stellen.

De Gist- en Spiritusfabriek heeft voor een gedeelte van haar personeel een tuinstad-wijk gesticht, het z.g.n. Agneta-park. D. is waarschijnlijk ontstaan uit 3 kernen: een dorp met een landbouwende bevolking langs het Oude Delft, een grafelijke vroonhoeve op de Groote Markt (misschien ± 1070 door Gotfried met den Bult gesticht) en een in de 13e eeuw opgekomen handelswijk, die in 1246 van den Roomsch-koning Willem II stadsrechten verkreeg; in 1268 werden die rechten ook aan de bewoners langs den Ouden Delft gegeven. In 1359 gaf D. zich na een beleg van 10 weken aan hertog Albrecht van Beyeren over; als straf voor weerbarstigheid der inwoners werden toen de tusschen 1310 en 1350 gestichte bolwerken en poorten gesloopt: eerst in 1389 herkreeg de stad het recht tot uitbreiding en tot herstel der poorten, benevens het recht een vaart langs de Schie tot in de Maas te graven, aan welker uiteinde Delfshaven ontstond. Ondanks dezen maatregel heeft D. zich als groote handelsstad niet kunnen handhaven en is zij door hare dochterstad Rotterdam overvleugeld. 16 Mei 1536 werd het grootste deel der stad door een grooten brand geteisterd; in 1618 brandde het stadhuis af, en 12 October 1654 werd een reeks huizen in het Z.O. der stad door het springen van een kruittoren verwoest. De spoorweg den Haag—Rotterdam werd 3 Juni 1847 geopend; alhoewel dit in sommige opzichten tot voordeel van de stad was, ging toch hare beteekenis erdoor achteruit, omdat zij vóór dien tijd een centrum voor het trekschuitenverkeer was. Onder de Delftsche schilders zijn Van Miereveldt, de gebroeders Delff, Fabricius, Vermeer (schilder van het beroemde gezicht op Delft in het Mauritshuis in den Haag), gedeeltelijk Jan Steen en uit het midden der 19e eeuw Bombled te noemen. D. is verder de geboorteplaats van Hugo de Groot en van eenige raadpensionarissen (Heinsius, van Bleyswijck) en vooral bekend als woonplaats van De Genestet, die het Delftsche leven van omstreeks 1860 in enkele zijner gedichten zoo goed beschreef.