Oosthoek 1916

Nederlandse encyclopedie, uitgegeven van 1916-1925.

Gepubliceerd op 17-01-2019

Stad

betekenis & definitie

Stad - uit economisch oogpunt verstaat men onder een stad een plaats, grooter dan een dorp, waar men naast veldarbeid ook handel en industrie als middelen van bestaan aantreft. Als minimum-zielental nam men dan voor een stad aan het getal 2000. Tegenwoordig, nu men geen verschil meer heeft op rechtsgebied, is het onderscheid tusschen dorp en stad niet altijd meer aan te wijzen; noch grootte, noch middel van bestaan geven het kenmerk aan van stad of dorp. Men kan dit zeer duidelijk zien in Nederland, waar ten gevolge van de ontwikkeling van de industrie op het platteland in de laatste jaren dorpen zijn toegenomen in zielental met een bevolking, bijna uitsluitend bestaande van handel en industrie (b.v. in de Zaanstreek en Twente).

Daarnaast vindt men dorpen, die zich danig ontwikkeld hebben in zielental en welke behooren tot verschillende gemeenten, dus zelfs geen eenheid vormen (b.v. Heerenveen, dat tot 3 gemeenten behoort). Omgekeerd heeft men in ons land stadjes, wier bewoners bijna uitsluitend van landbouw en van veeteelt bestaan (b.v. in Utrecht, Gelderland en Friesland). In ’t algemeen blijft men tegenwoordig stad noemen de plaats, die in den loop der eeuwen het stadsrecht heeft verworven, onverschillig hoe groot de plaats op ’t oogenblik ook is (zoo b.v. Stavoren). Een belangrijk -kenmerk van een stad is in den tegenwoordigen tijd het bezit van inrichtingen op het gebied van kunsten en wetenschappen, van instellingen voor verpleging van zieken, ouden van dagen en weezen, terwijl men in de stad over het algemeen meer zorg besteedt aan straatreiniging, hygiëne, verlichting en zorg voor het verkeer (tramdienst, telefoon, ondergrondsche spoorlijnen). Vergelijkt men de bevolking van de stad met die van het platteland, dan bespeurt men: 1ste dat de steriliteit van het gezin in de stad een hooger percentage bereikt dan op het platteland ; 2de dat de groep der volproductieven (leeftijd van 20 tot 50 j.) in de stad grooter is dan op het platteland ; 3de dat de leeftijdsgrens in de steden lager is dan op het platteland, voor zoover de mannen betreft, terwijl het verschil gering is, wat aangaat de vrouwen. Dat de zorg voor de hygiëne in de stad grooter is dan op het platteland heeft gemaakt, dat het sterftecijfer, dat in de periode 1875—88 in de steden hooger was geweest dan op ’t land, in de laatste jaren een voor de steden gunstig cijfer aanwijst. In de laatste jaren begint zich het karakter van de stad te wijzigen. Langzamerhand vormt er zich in de stad een kern, waar men vindt de kantoren, winkels en fabrieken, terwijl de bevolking in de buitenwijken gaat wonen.

Dit verschijnsel, dat ’t eerst zich ontwikkeld heeft bij Londen (city), Berlijn, Weenen, Parijs, enz. begint zich ook te vertoonen in de groote Nederl. steden. — Geschiedenis. In de Oudheid was de stad de ommuurde ruimte, waarbinnen de bewoners zich in tijd van nood konden terugtrekken en waar men de voornaamste tempels vond. Hier binnen verhief zich ook de burcht van den vorst, welke op zich zelve weer een ommuurde ruimte was. Deze steden hadden vaak een reusachtigen omvang (b.v. de muur van Babylon had een lengte van 88 K.M.). Bij de steden in Griekenland en Italië was de toestand iets anders geworden in den loop der tijden. Al zal oorspronkelijk ook hier de stad een versterkt centrum zijn geweest met tempel en koningsburcht, langzamerhand bleef een bevolking zich duurzaam in dit centrum vestigen. Naast landbouw en veeteelt begonnen de bewoners ook handel en nijverheid te beoefenen. Er vormden zich straten en pleinen. Een stedelijk bestuur ontwikkelde zich, dat zorg droeg voor veiligheid, rioleering, enz.

Bij de Romeinen ontwikkelden de steden zich zoodanig, dat ’t platteland in zielental achteruit ging. Slechte, kleine dorpen, met een armoedige bevolking, vond men er op groote afstanden van elkaar liggen. Een dergelijken toestand vindt men thans nog o. a. in Spanje. De Germaansche volken kenden geen steden. Hun woonplaatsen lagen verspreid, hoogstens vereenigd tot kleine dorpen. Na de vestiging der Romeinen werden er villae gebouwd door Rom. grondbezitters, die op den duur middelpunten van bewoning vormden. Tijdens de Karolingen werd de villa een veel voorkomende wijze van vestiging. Gaandeweg breidde de villa zich uit en ontstond daardoor de vicus. Was de vicus tevens marktplaats of had deze een gunstige ligging door de aanwezigheid van een veer, belangrijken handelsweg, klooster of bedevaartsplaats, dan groeide de vicus aan tot een bevolkingscentrum.

De landsheeren begunstigden een dergelijke plaats door ze te begiftigen met voorrechten als het bezit van een eigen bestuur, afzonderlijk recht, enz. Doordat de plaats aldus geëximeerd werd uit het omliggende platteland en zij aldus verkieslijk werd, ontstond er een trek van het platteland naar de stad. Door dit bevolkingsaccres konden landbouw en veeteelt niet meer het bestaansmiddel zijn van de bewoners, maar kwamen er daarnaast handel en industrie. Ten einde nu de bewoners van een stad aan de dagelijksche behoeften te kunnen laten voldoen, bevorderde de vorst het brengen van de producten van ’t omliggende platteland naar de stad door ’t scheppen van een weekmarkt. Zelfs trachtte de stad gedaan te krijgen, dat de omliggende bewoners verplicht werden, hun waren naar de stad ter markt te brengen, waardoor de stad als ’t ware het economisch middelpunt van ’t platteland werd. Tot bescherming van de industrie der stedelingen streefde de stad er naar, verbodsbepalingen tegen ’t uitoefenen van industrie op ’t platteland te verkrijgen. Door dit alles kreeg de stad in ’t land een bijzondere positie, welke in ons land eerst verdwenen is door de grondwet van 1848, welke stad en platteland gelijkstelde door de indeeling van ’t rijk in provinciën en gemeenten. Een bijzonder voorrecht behield de stad nog tot 1864 door het recht accijnzen te heffen. Dit voorrecht is toen door min.

Betz opgeheven, zonder dat er veel voor in de plaats is gegeven. De fin. noodtoestand der steden, in ’t eind der 19de eeuw en ’t begin der 20ste eeuw, moet hiermede in verband gebracht worden. — Bouw van de steden. De bouw van de stad hangt nauw samen met het ontstaan van de stad. In de z.g. bisschopssteden, d. w. z. de stad, waar men den zetel had van een bisschop, had men te doen met ’t samensmelten van twee plaatsen : de z.g. oude stad, ontstaan om de hoofdkerk (dom) van ’t bisdom, en de nieuwe stad, ontstaan om de burcht (palts) van den graaf. De bouw van de stad heeft dan dus plaats om twee centra, pleinen, ’t eene bij den dom, op ’t andere staat ’t raadhuis. Is de stad ontstaan uit één vicus, dan kan men vaak nog zeer goed de uitbreiding vervolgen (b.v.bij Amsterdam). Is de stad ontstaan uit meerdere villae (zooals b.v. Leiden, Leeuwarden), dan kan men dit meestal niet meer zoo goed nagaan. De straten der tweede stad waren nauw, bochtig en werden pas zeer laat geplaveid.

Ommuring was geen inherent kenmerk (b.v. Alkmaar is eerst in ’t begin der 16de eeuw ommuurd). In de 19de eeuw is men begonnen met den aanleg van rechte, breede straten, waartoe men opruiming heeft gehouden onder de oude straten en sloppen. Van beteekenis voor de bevordering van de volksgezondheid, heeft deze vernieuwing het eigenaardige oude karakter der steden totaal vernietigd (b.v. Parijs). Litt.: Uitvoerig overzicht geeft Pirenne. L’Origine des constitutions urbaines au Moyen-Age (Rev. Hist. L. III, L. VII); Fustel de Coulanges, La Cité antique; Zimmern, The Greek City; Below, Die Entstehung des deutschen Stadtsgemeindes (1889); Below, Die Entstehung der deutschen Stadt (1892).