Oosthoek 1916

Nederlandse encyclopedie, uitgegeven van 1916-1925.

Gepubliceerd op 24-01-2019

Gemeente

betekenis & definitie

Gemeente - Dit woord diende in de middeleeuwen en, men kan zeggen, tot dat onze hedendaagsche burgerlijke gemeenten ontstonden, in het algemeen ter aanduiding van een groep menschen, die tezamen in parochiaal of in eenig wereldlijk verband leefden, die tezamen vormden een rechtspersoon. Het woord duidde dus geen vast omlijnd begrip aan. Vooral na de instelling van onze hedendaagsche burgerlijke gemeenten duidt men met het woord gemeente ook aan het territoir, waarbinnen die groep menschen leven, en dan zoowel in kerkelijken als in burgerlijken zin. Doch ook vroeger werd met het woord gemeente wel een territoir aangeduid, vooral waar het gold markegronden.

Met name in Brabant was dit ’t geval. De marke of buurschap werd als gemeente aangeduid, zoowel in den zin van den rechtspersoon, de gezamenlijke gerechtigden, de buren, markgenooten, als in den zin van het territoir. (Zie BUREN, BUURSCHAP, MARK, KERKDORP, KERSPEL.). De burgerlijke gemeenten, die wij nu kennen, zijn gegroeid uit de in den Franschen tijd hier ingevoerde Fransche communes. Ook in de overgangsperiode 1795/1810 zijn er gemeenten, als administratieve onderdeelen van den Staat, hier te lande geweest, maar de regeling was vaag en niet in alle gewesten gelijk; alles droeg een voorloopig karakter; wel zijn onder de werking van de Staatsregeling van 1798 sommige regelingen ontworpen, doch ze zijn niet ten uitvoer gebracht. (Men zie ook WATERSCHAP en POLITIE). De besturen van de nieuwe burgerlijke gemeenten, die wij nu kennen hier te lande, hebben van de besturen der oude, vroeger bestaande lichamen, zooals in Holland, in Zeeland en in Utrecht van de ambachten, op de Veluwe van de schuldambten, in Friesland van de grietenijen, en elders van de kerspelen en marken de taak geheel of gedeeltelijk overgenomen. In de steden was natuurlijk aansluiting met de stadsregeering. Omtrent de Fransche communes en haar ontstaan valt (behalve hetgeen men vindt over de communaux op het woord MARK) het volgende mee te deelen: De wet van 14 December 1789 vestigde municipaliteiten (gemeentebesturen m. a. w.) in elke commune. Als regel schijnt men de parochies, dus de territoriën der kerkelijke gemeenten aangenomen te hebben als territoriën, circonscriptions, der op te richten communes, burgerlijke gemeenten, maar er zijn uitzonderingen. De president der commune werd volgens de wet van 1789 genoemd maire.

Wel werd hierin wijziging gebracht door de constitutie van 5 fructidor, an VII, maar volgens de constitutie van het jaar VIII was er in elke commune een maire. In sommige groote steden waren meerdere municipaliteiten; dit werd afgeschaft door de wet van 15 ventôse, an XIII; alleen in Parijs bleven 12 municipaliteiten. De wet van 28 pluviôse, an VIII, bepaalde dat de departementen verdeeld werden in arrondissements communaux, een prefect stond aan het hoofd van het departement, een sous-préfect aan het hoofd van het arrondissement; het arrondissement werd verdeeld in communes, aan het hoofd der communes stond een maire met een adjunct-maire of met 2 adjunct-maires en een commissaris van politie; in elke commune was een conseil municipal, welker bevoegdheid zeer gering was; de leden werden evenals de maire en de adjuncten benoemd door den prefect. Een keizerlijk decreet van 4 Juni 1806 heeft dit stelsel eenigszins uitgewerkt, en het zijn deze wet van 28 pluviôse, an VIII, en dit keizerlijk decreet van 1806, die na de inlijving bij Frankrijk, executoir zijn verklaard voor de verschillende deelen van ons land, respectievelijk bij decreet van 8 Nov. 1810 en bij decreet van 6 Januari 1811. Ziehier het begin van onze gemeentelijke organisatie, d. w. z. van een uniforme organisatie over het geheele land, want, gelijk gezegd, in de periode 1795/1810 had het aan regelingen niet ontbroken. Een circumscriptie der gemeenten volgde voor ons land bij keizerlijk decreet van 21 October 1811 (volledig afgedrukt bij Kemper, Jaarboeken van het Fransche regt voor de Hollandsche departementen, 1812, dl. I, bl. 65 e. v.). In Frankrijk zijn meer democratische beginselen in het gemeentebestuur ingevoerd door de wetten van 1837, 1867 en 1884. In ons land hebben deze wetten natuurlijk niet gegolden, omdat het na 1813 valt.

De eerder genoemde Fransche wetten, die hier zijn executoir verklaard na de inlijving, hebben gegolden totdat onder Koning Willem I in de jaren 1815, 1816, 1818 en 1819 regeeringsreglementen voor de steden en voor de gemeenten van het platteland zijn ingevoerd (vgl. artt. 78 e. v. der Grondwet 1814 en artt. 132 e. v. der Grondwet van 1815). Het herstel der heerlijke rechten (zie HEERLIJKE RECHTEN) bracht mede een, zij het in gewijzigden vorm, herleven van de rechten van aanstelling van plaatselijke overheden door den heer der heerlijkheid. Het souverein besluit van 26 Maart 1814, Stb. 46, tot herstel der heerlijke rechten, gaf slechts het beginsel aan; de uitwerking geschiedde bij nadere verordeningen en reglementen en voorzoover de benoeming van de gemeentelijke regeeringspersonen en beambten betreft bij evengemelde regeeringsreglementen. Noodwendig moest dus de circumscriptie der gemeenten zooveel mogelijk gelijk zijn aan die der vroegere heerlijkheden, weshalve in die provinciën, waar dergelijke heerlijke rechten hadden bestaan, de gemeentelijke grenzen, die Napoleon in 1811 (decreet 21 October) voor ons land had ingevoerd, veelal moesten worden gewijzigd en dat veel gemeenten werden verdeeld in kleinere gemeenten. In andere provinciën (b.v. Friesland, Groningen, Drente en ook op de Veluwe) komt de tegenwoordige indeeling des lands nog vrij wel overeen met de gemeentelijke indeeling van het keizerlijk decreet van 1811, zoo even genoemd.

In 1824 en 1825 zijn de reglementen van 1815, 1816, 1818 en 1819 vervangen door een van 4 Januari 1824 voor de steden (behalve Amsterdam), een van denzelfden datum voor Amsterdam en een van 23 Juli 1825 voor het platteland. Al de reglementen, hiervóór bedoeld, vindt men afgedrukt in het Bijvoegsel op het Staatsblad, behalve die van Groningen, Drente en Hoogeveen en Overijsel, resp. van 7 Mei 1819, 7 October 1818, 22 October 1819 en 21 Jul. 1816. Een nieuwe regeling overeenkomstig het voorschrift van art. 138 der Grondwet van 1848, dat regeling eischte bij de wet, gaf Thorbecke’s gemeentewet van van 1851 (Zie POLITIE en WATERSCHAP). De grondwetsherziening van 1848 bracht, evenals op zoo menig ander gebied, ook voor de organisatie der gemeenten groote verandering. De voornaamste dezer zijn:

1) Het onderscheid tusschen stedelijke en plattelandsgemeenten (zie artt.132 en 154 Grw.1815) wordt in de Grw. niet meer gemaakt;
2) De samenstelling, inrichting en bevoegdheid der gemeentebesturen moeten door de wet worden geregeld (art. 138, thans 142 Grw.);
3) De gemeenteraden moeten door rechtstreeksche verkiezing worden samengesteld (art. 139, thans 143 Grw.);
4) De leden mogen slechts voor een bepaald aantal jaren worden gekozen (zelfde artt.);
5) De financieele zelfstandigheid der gem. wordt gewaarborgd, doordat de wetgever algemeene regelen moet stellen ten aanzien der plaatsel. belastingen, zoodat de regeering in hare bevoegdheid van goed- of afkeuring aan bepaalde regelen wordt gebonden (art. 142, thans 147 Grw.);
6) De autonomie der gem. wordt in de Grw. uitdrukkelijk erkend door de bepaling, dat aan den Raad de regeling en het bestuur van de huishouding der gem. wordt overgelaten (art. 140, thans 144 Grw.); tevens bepaalt de Grw., in hoeverre de gemeente in sommige harer handelingen aan hooger gezag is onderworpen (artt. 141, 142, thans 146, 147 Grw.). — Ter uitvoering der gewijzigde Grw. werd door Thorbecke eene wet ontworpen, regelende de samenstelling, inrichting en bevoegdheid der gemeentebesturen. Ook in deze wet, de Gemeentewet van 29 Juni 1851, Stb. 85, wordt het onderscheid tusschen steden en platteland niet meer gevonden. Hoewel de wet in onderdeelen herhaaldelijk, laatstel. 29 Nov. 1917, Stb. 662, § 4, is gewijzigd, is haar karakter steeds gehandhaafd, zoodat ons gemeenterecht ook thans nog in hoofdzaak door de door Thorbecke ontworpen beginselen wordt beheerscht. ~ De gemeente is een gemeenschap met een natuurlijken grondslag: de plaatselijke samenwoning, Vandaar, dat de gem tot de oudste vormen behoort, waarin het staatsbegrip zich openbaart. Vooral de steden hebben een groot aandeel in de rechtsvorming gehad. Men denke aan het ontstaan van het handelsrecht. Door de machtsontwikkeling van het centraal gezag zijn echter de gemeenten meer en meer ondergeschikt geworden aan de grootere staatseenheden: provincie en rijk. Toch zijn de gemeenten ook thans niet tot uitsluitend administratieve onderdeelen van het rijk verlaagd. Onze Grw. waakt hiertegen zelfs zorgvuldig.

De gemeentelijke autonomie wordt uitdrukkelijk gewaarborgd door de bepaling van art. 144 Grw., dat de regeling en het bestuur van de huishouding der gemeente aan den gemeenteraad wordt overgelaten. Daar echter de gem. als deel van het rijk niet alleen door eigen inzichten en belangen mag worden beheerscht, kent art. 145 Grw. de Koning het recht toe de besluiten van gemeentebesturen, die met de wet of het algemeen belang strijdig mochten zijn, te schorsen en te vernietigen. Dit recht moet bij de wet worden geregeld, bij welke regeling het ten aanzien van de plaatselijke verordeningen en reglementen niet mag worden beperkt. Verder heeft de Grw. gemeend de gemeenten tegen minder juiste inzichten harer eigen besturen te moeten beschermen door bepaalde besluiten aan de goedkeuring van Ged. Staten te onderwerpen (146 Grw.). Artt. 194 en 195 Gem. w. wijzen die besluiten nader aan. Wordt de goedkeuring geweigerd, zoo staat volgens artt. 200 —202 Gem. w. beroep op de Kroon open. — Ook op het gebied der plaatsel. belastingen heeft de grondwetgever de gemeenten niet geheel vrij durven laten. Behalve, dat de wet algemeene regelen daaromtrent moet geven, zijn de belastingverordeningen aan Kon. goedkeuring onderworpen (147 Grw.). Ten slotte vóórziet de Grw. sinds 1887 in het geval, dat de regeling en het bestuur van de huishouding eener gemeente door den Raad grovelijk worden verwaarloosd door de bepaling, dat eventueel eene wet daarin met tijdelijke opzijdezetting der autonomie kan voorzien (145 Grw.). — Als onderdeel van gemeenschappen van hoogere orde zullen de gemeenten hare medewerking moeten verleenen tot uitvoering van wetten, algemeene maatregelen van bestuur of prov. verordeningen, zoo deze het vorderen (144 Grw.). In die wetten enz. kan bepaaldelijk de medewerking van den Raad worden geëischt; anders is zij door B. en W. te verleenen, die ook moeten optreden, indien de Raad zijne medewerking mocht weigeren (126 Gem.w.). Zorgen in het eene en het andere geval B. en W. niet behoorlijk voor de uitvoering, zoo kan daarin door den Commissaris der Koningin ten koste der nalatigen worden voorzien (127 Gem.w.). — In den regel vormt, zooals gezegd, de gemeente eene natuurlijke eenheid.

Er komen echter, vooral in Friesland, gemeenten voor, die uit een aantal verschillende dorpen bestaan. Art. 217 Gem. wet houdt hiermede rekening, door in die gevallen een zekere fin. afscheiding dier onderdeelen mogelijk te maken. — Ook kan het gewenscht zijn, dat verschillende gemeenten met betrekking tot bepaalde onderwerpen, samenwerken. Daarom vergunt art.121 Gem.w. besturen van twee of meer gemeenten gemeenschappelijke zaken, belangen, inrichtingen of werken, na machtiging en onder goedkeuring van Ged. Staten te regelen. Wordt machtiging en goedkeuring geweigerd, zoo staat beroep open op de Kroon. De kosten uit een gemeenschappelijke regeling voortvloeiende, worden door de gem. naar de verhouding van ieders belang gedragen (122 Gem.w.). — In geschillen van bestuur tusschen gemeenten onderling of tusschen eene gemeente en eene prov., wordt door den Koning beslist (125 Gem.w. in verband met 70 Grw.). — Het aantal gemeenten bedroeg in 1916: 1120, naar het aantal inwoners verdeeld als volgt: minder dan 500 inw.: 30;

501 -1000: 164;
1001-2000 : 279 ;
2.001-5.000: 386;
5.001-10.000: 161;
10.001-20.000 : 59;
120.001-50.000 : 30 ;
50.000-100.000 : 7;

meer dan 100.000 : 4.