Oosthoek 1916

Nederlandse encyclopedie, uitgegeven van 1916-1925.

Gepubliceerd op 13-12-2018

Dal

betekenis & definitie

Dal - Langgestrekte, smalle insnijding in het aardoppervlak. De meeste dalen zijn gevormd door de erosie van stroomend water; de werking van het stroomende water is afhankelijk van het vermogen. Wanneer de rivier van het begin tot den mond overal evenveel water heeft, zou het lengteprofiel van het dal een schuine rechte lijn zijn. Daar bij oceanische rivieren de waterhoeveelheid stroomaf toeneemt, zal de erosie aan den mond het sterkst moeten zijn, als het verhang overal gelijk is; daar wordt ’t meest geërodeerd en wordt de schuine lijn ’t meest naar beneden verplaatst.

Gevolg is, dat de eindlijn, de erosieterminante van Philippson, eindelijk een kromme wordt, die naar boven steeds meer verhang toont. Bij rivieren, die van een plateau komen, en dan steil naar zee moeten afdalen, zal dit gedeelte van het dal het eerst en het diepst worden uitgeschuurd en zoo de loop door het plateau steeds meer verdiept. Het dwarsprofiel is afhankelijk van de diepte-erosie, van de zijwaartsche erosie, van de afspoeling der hellingen door het regenwater, de verweering, enz. De diepte-erosie zoekt de hellingen steil te houden; de zijwaartsche erosie tracht de hellingen van de rivier terug te dringen, terwijl de afspoeling de hellingen vlakker maakt. Stroomt in een regenarme landstreek over een plateau een rivier met voldoende snelheid, dan zal de breedte-erosie klein zijn en de afspoelende werkzaamheid van den regen kan de diepte-erosie niet bijhouden. Wanneer de aard van het bodemgesteente zich daartoe leent zullen diepe kloven, canons, ontstaan. Als de breedte-erosie sterker is ontstaat een sterk hellend V-profiel, dat langzamerhand weer overgaat in het vlakhellende V-profiel. De diepte-erosie raakt steeds weer op den achtergrond, de rivier begint door het mindere verval weer heen en weer te slingeren; de breedte-erosie maakt het onderste deel van het dal breeder.

De afspoeling maakt ook de onderste steile gedeelten minder hellend, totdat het eind is een zeer vlak profiel met een breed dal. Een factor van niet geringe beteekenis bij het dwars-profiel der dalen is het gesteente. Graniet, dat vaak in groote blokken verweert, maakt dalvorming uiterst lastig. Kalk laat het water het meest door en in plaats van een bovenaardsche ontstaat meest een onderaardsche cirulatie. Ook de ligging der gesteenten heeft invloed. Vlak liggende gesteentelagen (en loodrecht splijtende) geven aanleiding tot steile, vaak loodrechte hellingen. Het maximum der erosie, en daarmee het maximum van dalvorming, vindt men niet in de streken met den grootsten regenval en in de gebieden met gedurigen regen, maar juist daar, waar de neerslag periodiek valt, waar dus regenen droge tijden elkaar afwisselen. Tijdens den vochtigen tijd is de erosie er zeer groot, en ze wordt nog versterkt, doordat tengevolge van den langen drogen tijd de vegetatie er niet erg ontwikkeld is.

Tectonische veranderingen hebben ook grooten invloed, zoowel op het lengte-, als op het dwarsprofiel; bij een opheffing wordt het verval grooter, bij een daling kleiner, waardoor het dal opgevuld kan worden met sedimenten. Het diluvium en !t alluvium in het Noord. deel van de Boven-Rijnsche Laagvlakte heeft zelfs een grootere dikte dan 200 M. Heeft daarna weer een opheffing plaats, dan begint de erosie opnieuw en snijdt weer in, waardoor terrassen gevormd worden. Zulke sediment-terrassen kunnen ook wel ontstaan door een wisseling van het klimaat, maar daardoor kan niet een herhaald insnijden van de rivier in het vaste gesteente verklaard worden. Daarvoor is steeds noodig een dieper leggen van de erosie-basis. De dalterrassen van den MiddenRijn bijv. worden door verschillenden dan ook niet met ijstijden en interglaciale tijden in verband gebracht.

Rotsterrassen (wel te onderscheiden van verweeringsterrassen) zijn op te vatten als overblijfselen van oude dalbodems. Zij komen vooral voor in vroeger vergletsjerde gebieden, waarin, volgens velen, het ijs een u-vormig dal heeft uitgeslepen. In het dwarsprofiel van zoo’n dal zijn verschillende deelen te onderscheiden: wat boven den gletsjer heeft uitgestoken vertoont ruwe vormen met karen: daar beneden is alles afgeslepen en afgerond; de langzaam hellende wand eindigt benedenwaarts in den schouder, waar weer een steile helling begint. Dit u-vormige gedeelte heet trog. De hoofddalen zijn door het ijs meer uitgediept dan de zijdalen; ze zijn übertieft; de zijdalen zijn Hange-taler geworden.

Het lengteprofiel van vergletsjerde dalen is ook anders dan dat van zuivere rivierdalen. Het oude gletsjerbed werd niet overal gelijkmatig uitgeschuurd. Waar het ijs onder grooteren druk kwam, hetzij, dat het bed nauwer werd, of er door een zijgletsjer meer ijs kwam, of het ijs werd opgestuwd, zooals voor een weg plaats heeft, ging dit steeds gepaard met een veel grootere diepte-erosie. Terwijl het oude dal een gelijkmatige helling had, kwamen er nu meer diepe en meer verheven deelen. Toen het ijs zich teruggetrokken had en er meer water stroomde, moesten op de diepere gedeelte meren ontstaan. Bij een gewoon stroomsysteem heeft meestal samenvloeiing plaats, convergentie. Naar beneden gaande verdeelde. de gletsjer zich wel in takken, er had in de dalen divergentie plaats, zooals bij het Lago Maggiore en het oude Vierwoudsteden-meer valt op te merken.

Enkele soorten van dalen zijn: fjorden, vroeger vergletsjerde dalen, thans gedeeltelijk met zeewater gevuld; föhrden, ook rivierdalen, in los puin, die glaciaal veranderd zijn; fluvio-glaciale dalen, door het smeltwater uitgeschuurd en later weer gedeeltelijk door rivieren gevolgd. Ook dienen genoemd te worden de onderzeesche dalen, die vaak een voortzetting zijn van gewone landdalen en als zoodanig ontstaan zijn door een positieve niveauverandering.

Enkele dalen zijn oorspronkelijk, d.w.z., ze zijn als laagten gevormd door den opbouw van den bodem. Men onderscheidt dan: 1) synclinale dalen: de synclinalen in een plooiïngsgebied, die later door de erosie wel veranderd zijn; —2) slenk-dalen; inzinkings-dalen in breukgebieden en 3) intercolline-dalen, gelegen tusschen twee zelfstandige gebergten. Alle andere dalen zijn door erosie gevormd, en dus erosie-dalen. In verband met de vraag, waarom juist daar dalen uitgeslepen zijn, zijn de erosie-dalen te verdoelen in: a) orographische erosie-dalen: die de algemeene helling van het landschap volgen (bij Davis consequente d.). Ligt de oorzaak in den bodem, die aan het water bepaalde richtingen wees, dan spreekt men van b) tectonische dalen. c) Epigenetische-dalen zijn erosie-dalen, waarbij het verband met den opbouw van den bodem noch met de helling thans blijkt. Volgens velen volgden de rivieren de helling van de oude oppervlakte; deze bedekte het tegenwoordige gebergte. De rivier sneed een diep dal erin, de zachte gesteentelagen werden verwijderd.

Wellicht, dat er ook nog moeten aangenomen worden d) verweeringsdalen, waar een verweeringskloof de richting aanwees voor het uitschurende water. In Karstgebieden o.a. treft men dan nog e) de instortingsdalen aan, waar een vroeger onderaardsch dal door instorting in een bovengrondsch dal is veranderd. Een andere verdeeling geeft Davis en wel op grond van den ouderdom en naar de ligging der dalen in verband met de ligging der lagen. Volgens hem is de oorspronkelijke helling van een landstreek afhankelijk van de helling der lagen, a) Consequente rivieren en dalen volgen die oorspronkelijke helling; b) subséquente rivieren en dalen volgen de zachte lagen en staan dan soms min of meer loodrecht op de richting der consequente; c) resequente volgen evenals de consequente de oorspronkelijke helling, het zijn echter zijdalen van de subséquente; terwijl de obsequente in tegengestelde richting loopen als de resequente. Dalen, die geheel onafhankelijk van de algemeene helling en van de gesteentelagen loopen, heeten insequent.

In plooiïngsgebieden kan men lengte- en dwarsdalen onderscheiden. De lengte-dalen loopen in de richting der vouwen; dwarsdalen hebben een andere richting. Bij de synklinale lengtedalen worden de hellingen gevormd door de oppervlakte der verschillende lagen; evenwel kunnen lengtedalen ook antiklinaal, d. i. oorspronkelijk door verweering op den plooirug ontstaan, of isoklinaal, waarvan alle lagen in de vleugels naar den zelfden kant hellen; echter komen dan aan de eene helling van het dal de laagkoppen, aan de andere helling de laagoppervlakten te voorschijn. Al deze dalen zijn dus van oorsprong niet door het water gevormd. Van de dwarsdalen nam men aan, dat het scheuren waren,welke hetwater oorspronkelijk volgde. Dit is thans een verlaten standpunt.

Men spreekt van doorbrekingsdalen, wanneer het dal door een hoogere keten loopt. Daarbij zijn 3 gevallen te onderscheiden: ligt de hoofdwaterscheiding op de hoogste keten, dan kunnen de dalen de lagere ketens doorbreken (normale doorbrekingsdalen); wordt de hoofdwaterscheiding gevormd door een lagere keten, dan kan een doorbrekingsdal door de hoogere ketens heenbreken (anormale doorbrekingsdalen); en eindelijk kan het geval zich voordoen, dat het dal door het geheele gebergte eigenlijk een bres vormt (bresdal), waarbij dus het gebergte hier niet als waterscheiding dienst doet. Om het ontstaan van zulke doorbrekingsdalen te verklaren, heeft men verschillende theorieën opgesteld, welke toegepast werden op bepaalde gevallen, zonder dat ze algemeen geldig konden zijn. Vindt men boven zoo’n doorbrekingsdal afzettingen uit meren afkomstig, dan is het mogelijk, dat de afstrooming van zoo’n meer in den wand der omringende massa een dal heeft uitgeschuurd, en door de meerdere erosie, het water geheel kon worden afgevoerd en in de meerafzettingen zelf ook een dal uitschuurde. De regressie-theorie van Rütimeyer en Löwl laat de dalvorming beginnen aan den neerslagrijken buitenrand van het gebergte; de regressieve werkzaamheid der erosie verlengt het dal stroomopwaarts eerst tot de waterscheidende keten, daarna nog verder, zoodat eindelijk het geheele gebergte is doorgezaagd.

De antecedentie-theorie van Medlicott en anderen denkt zich het ontstaan van doorbraakdalen gelijktijdig met het omhoogrijzen van het gebergte. Als de rivieren krachtig kunnen uitschuren, kan de erosie gelijken tred met het omhoog rijzen houden. Boven de oprijzende massa zal de stroomsnelheid afnemen en zullen eerst sedimenten worden neergelegd, beneden dit gebied echter de erosie toenemen.

De epigenetische theorie is reeds behandeld. Ook kan het gebeuren, dat het achterland zonk, nadat het doorbraakdal gevormd was, zooals waarschijnlijk het geval was bij het Rijndal van Bingen tot Bonn. Nog een andere theorie is de tectonische van Lugeon, waarbij de rivier een der transversale synclinalen, die ongeveer loodrecht op de hoofdrichting van de anticlinalen en synclinalen staan, volgde. De doorbraakdalen zijn dan ouder dan de lengteplooiing. Doorbrekingsdalen kunnen ook voorkomen in breukgebieden en in laagland, zooals o.a. het geval is met het Oderen het Weichsel-dal door den Baltischen Landrug. De vorming van dalen is het best te bestudeeren bij stortbeken, waarbij dan te onderscheiden is een verzamelgebied, een geul, en het afzettingsgebied, de delta. Litteratuur : Behalve op werken van dynamisch-geologischen inhoud als Supan, Grundzüge der physischen Erdkunde, de Martonne, Traité de géographie physique, en van morphologischen aard, als Penck, Morphologie der Erdoberfläche, waarin veel litteratuur, zij gewezen op Davis, Physical Geography, en Passarge, Physiologische Morphologie, Löwl, Ueber Thalbildung, Philippson, Die Erosion des fliessenden Wassers; voor het vraagstuk van gletsjererosie o.a. op het Zeitschrift für Gletscherkunde. Over erosie: J. Brunkes, Le travail des eaux courantes.