Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

Gepubliceerd op 29-12-2018

aard

betekenis & definitie

aard - 1) aard m. (geen mv.), 1. wezen, natuur, natuurlijke eigenschappen (van dieren, planten): de wolf ruilt wel van baard, maar niet van —, hij verliest wel zijn haren, maar niet zijn streken; (van personen) natuur, inborst, innerlijke gesteldheid: die jongen is goed, heftig van -; uit de(n) uiteraard, van nature; dat ligt nu eenmaal in zijn —, dat brengt zijn karakter mee; dat is de van het beestje; hij heeft een aardje naar zijn vaartje, hij lijkt op zijn vader; (van abstracte zaken) kenmerkende eigenschap, gesteldheid: van dien —; de — der zaak, het wezen; uit de(n) — der zaak, als noodwendig gevolg van.

2) aard [oudfr. art, kunst], m. (geen mv.) vereiste gesteldheid, thans alleen nog in: hij zingt, werkt, studeert dat het een heeft, ferm, terdege, hard, duchtig enz.