Nico M. van Straalen

Em. Professor of Animal Ecology

Gepubliceerd op 15-08-2020

2020-08-15

Amphibia

betekenis & definitie

Groep viervoetige gewervelde dieren met een ongeschubde, gladde, leerachtige of knobbelige huid en een aan water gebonden larvestadium

De amfibieën markeren de overgang van waterleven naar land die plaatsvond tegen het einde van het Devoon, 360 miljoen jaar geleden. In de fossielen zien we een mooie reeks die de geleidelijke verandering van vinnen in poten goed illustreert: van de vleesvinnige vis Eusthenopteron, via de overgangsvormen Panderichthys, Tiktaalik en Elpistostege naar de eerste amfibieën, Acanthostega, Tulerpeton en Ichthyostega. De poten hadden aanvankelijk een functie bij het zwemmen en zijn later ingezet om op te lopen. Behalve de vinnen is ook de long van de Sarcopterygii te zien als een kenmerk dat landleven mogelijk maakte voordat het zover was ("pre-adaptatie").

Ondanks hun half-terrestrische levenswijze zijn amfibieën voor hun reproductie afhankelijk gebleven van water; de larven zijn over het algemeen aquatisch. Echter sommige amfibieën zoals de Afrikaanse knoflookpadden hebben zich wonderwel aangepast aan droge milieus, door bij droogte in ondergrondse holen bodemvocht te gebruiken om zich nat te houden.

Kenmerkend voor nu levende amfibieën (en een cruciaal verschil met reptielen) is de gladde huid zonder schubben. De eerste amfibieën hadden echter wel schubben of stekels, waren soms zelfs zwaar gepantserd; de latere amfibieën moeten hun schubben verloren hebben.

Binnen de klasse Amphibia worden drie ordes van levende vertegenwoordigers onderscheiden, Apoda of Caecilia (wormsalamanders), Urodela (salamanders) en Anura (kikkers en padden). Deze worden samengenomen in de subklasse Lissamphibia, die we aantreffen vanaf het Jura. Wat precies de relatie is met de eerste amfibieën van het Paleozoïcum is niet duidelijk. De reptielen ontspringen uit een uitgestorven groep van het Carboon, de Anthracosauria, die niet verwant is aan de moderne amfibieën.

Bronvermelding