Muiswerk Educatief

Muiswerk Educatief (2017)

Gepubliceerd op 30-11-2017

ruim

betekenis & definitie

ruim - bijvoeglijk naamwoord, zelfstandig naamwoord

1. niet precies, maar met iets erbij
♢ er waren ruim honderd mensen
2. groot, royaal
♢ op de markt heb je een ruime keus
1. hij heeft een ruim inkomen
[hij verdient veel]
2. een ruime jas
[een wijde jas]
3. door niets of niemand beperkt of gehinderd
♢ we hadden een ruim uitzicht boven op de berg
1. ruimer ademhalen
[je opgelucht, bevrijd voelen]
2. ruim baan maken
[alles wat hindert, weghalen]
3. het ruime sop kiezen
[uitvaren]
4. in flinke hoeveelheid, meer dan genoeg
♢ ze hebben Thijs ruim betaald voor die klus
1. ruim bemeten zijn
[flinke afmetingen hebben]
2. het niet ruim hebben
[arm zijn]
3. in ruime mate
[ruimschoots]
4. een ruime arbeidsmarkt
[met veel werkzoekenden]

1. ruimte in een schip voor goederen
♢ de vracht is opgeslagen in het ruim

Algemene uitdrukkingen:
1. een ruime blik hebben
[niet bekrompen denken]
Bijvoeglijk naamwoord: ruim
... is ruimer dan ...
het ruimst
de/het ruime ...
iets ruims

Zelfstandig naamwoord: ruim
het ruim
de ruimen

Synoniemen
absoluut, dik, onbelemmerd, onbeperkt, onvoorwaardelijk, rijkelijk, royaal, vrij, weids

Tegenstellingen
beperkt, onvrij



Alsjeblieft!
Dit artikel kreeg je van Ensie cadeau. Wil je ook bijdragen aan toegankelijke kennis? Klik hier en word vriend van Ensie.