maar betekenis & definitie

maar - voegwoord, bijwoord

1. geeft een tegenstelling aan
♢hij is wel aardig, maar ook een beetje gek
2. niet meer dan dat
♢hij heeft maar twee kinderen

Algemene uitdrukkingen:
1. laat maar
[het hoeft niet meer]
2. nee maar!
[verbaasde uitroep]
3. toe maar
[ga ermee door]
4. ik deed het zo maar
[zonder duidelijke reden]
5. het is maar al te duidelijk
[erg duidelijk]
6. hij bleef maar eten
[hij ging ermee door]

Voegwoord: maar

Bijwoord: maar

Synoniemen
doch, echter, nochtans, evenwel, daarentegen, slechts