zelfstandig betekenis & definitie

zelfstandig - bijvoeglijk naamwoord
uitspraak: zelf-stan-dig

1. niet van iemand of iets afhankelijk
hij gaat alleen naar school, hij is erg zelfstandig
1. zelfstandig wonen
[niet meer bij je ouders]
2. een zelfstandig beroep
[niet bij een baas]
3. zelfstandig naamwoord
[substantief, woord waar je 'de' of 'het' voor kunt zetten, noemt een mens, een dier of een abstact of concreet ding]
4. zelfstandig werkwoord
[kan in zijn eentje het gezegde van een zin vormen, bijvoorbeeld: ik WANDELDE naar huis]

Bijvoeglijk naamwoord: zelf-stan-dig
... is zelfstandiger dan ...
het zelfstandigst
de/het zelfstandige ...
iets zelfstandigs

Synoniemen
autonoom, weerbaar

Tegenstellingen
afhankelijk