Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

Gepubliceerd op 14-11-2017

rekenen

betekenis & definitie

rekenen - regelmatig werkwoord
uitspraak: re-ke-nen

1. sommen maken met getallen
zij kan heel snel rekenen
1. naar je toe rekenen
[zo rekenen dat je er voordeel van hebt]
2. op iets of iemand vertrouwen
♢ je kunt altijd op hem rekenen
1. je kunt om me rekenen
[ik zal doen wat je wilt]
3. er een bedrag voor vragen
♢ hoeveel reken je voor die boot?
4. vinden dat hij daarbij hoort
♢ ik reken hem tot mijn beste vrienden
5. geloven dat het zo zal zijn
♢ ik reken op dertig gasten

Regelmatig werkwoord: re-ke-nen
ik reken
jij/u rekent
hij/zij rekent
wij/zij/jullie rekenen
ik/jij/u/hij/zij rekende
wij/zij/jullie rekenden
hij heeft gerekend
de/het/een gerekende ....
rekenend, rekenende