maken betekenis & definitie

maken - regelmatig werkwoord
uitspraak: ma-ken

1. weer in orde brengen, zorgen dat het heel wordt
♢wil jij deze scheur maken?
2. zorgen dat iemand iets wordt
♢je maakt me erg blij met dit cadeau
3. in elkaar zetten, laten ontstaan
♢Tony maakt een kippenhok
1. er het beste van maken
[onder moeilijke omstandigheden toch goed proberen te doen]
2. grappen maken
[er ontstaat een grap]
3. fouten maken
[dingen fout doen]
4. er niet veel van maken
[het niet goed doen]
5. er geen gewoonte van maken
[het niet vaker zo doen]
6. in de maak zijn
[besteld om gemaakt te worden]
7. dat zal wel in de maak blijven
[daar komt nooit iets van]

Algemene uitdrukkingen:
1. hij maakt het niet lang meer
[hij leeft niet lang meer]
2. je hebt het ernaar gemaakt
[het is je eigen schuld]
3. zij gaat het maken
[ze zal veel succes hebben]
4. hij kan me niets maken
[kan me nergens de schuld van geven]
5. een begin maken
[beginnen]
6. we moeten haast maken
[opschieten]
7. ergens jacht op maken
[het proberen te krijgen of te pakken]
8. we gaan het openbaar maken
[aan iedereen vertellen]
9. het in orde maken
[zorgen dat het goed komt]
10. dat maakt geen verschil
[dat is hetzelfde]
11. er werk van maken
[goed je best erop doen]

Regelmatig werkwoord: ma-ken
ik maak
jij/u maakt
hij/zij maakt
wij/zij/jullie maken
ik/jij/u/hij/zij maakte
wij/zij/jullie maakten
hij heeft gemaakt
de/het/een gemaakte ....
makend, makende

Synoniemen
herstellen, repareren, verhelpen, verstellen, produceren, fabriceren, vervaardigen, voortbrengen

Tegenstellingen
vernietigen, verwoesten, vernielen, tenietdoen

Gepubliceerd op 31-10-2017