Wat is de betekenis van rekenen?

2018
2022-07-02
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

rekenen

rekenen - regelmatig werkwoord uitspraak: re-ke-nen 1. sommen maken met getallen ♢ zij kan heel snel rekenen 1. naar je toe rekenen [zo rekenen dat je er voordeel van hebt] ...

Lees verder
1977
2022-07-02
Erotisch woordenboek

Hans Heestermans

rekenen

rekenen - de (begin)tijd van de zwangerschap bepalen. Thans nog bekend? (v. DALE [1976]). Meenig meysje zal der rekenen van dese intree of (t.w. v. h. bezoek der Russen aan Voorburg), H. DOÉPYNS, Haegse Mercur. 28 Sept. 1697,4.Vandaar ook: zwanger zijn. Mijne vrouw is en blijft zwak, doch nog al redelijk, en rekent weder, BII.D. in BiLD.-TYD...

Lees verder
1973
2022-07-02
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

rekenen

(rekende, heeft gerekend), 1. cijferen, met getallen werken, volgens de regels hoeveelheden (aantallen) benoemen, samenstellen en ontbinden, m.n. met cijfers: leren lezen, schrijven en rekenen; met letters, cijfers, wortelgrootheden; uit het hoofd rekenen, zonder de getallen op te schrijven; door elkaar gerekend, het een met het ander vereffend, he...

Lees verder
1952
2022-07-02
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Rekenen

v., rekkenje; in zijn voordeel —, nei jin ta rekkenje; in zijn nadeel —, fan jin ôf rekkenje; — op, rekkenje, tidigje, tiidzje, gûkerje, lynje op, tofoaren gean op, jin forlitte op, to seil gean op, forkomme op; ergens vast op —, jin earne nei, op sette; niet meer op...

Lees verder
1950
2022-07-02
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Nederlands woordenboek (7e druk - 1950)

Rekenen

I. REKENEN (rekende, heeft gerekend), (gew.) met as bedekken : het vuur rekenen. Vgl. Inrekenen. II. REKENEN (rekende, heeft gerekend), 1. tellen: de Christenen rekenen de jaren van Christus geboorte af; iets dubbel rekenen, tweemaal meetellen; alles bij elkaar rekenen ; — (abs., van een zwangere vrouw) d...

Lees verder
1937
2022-07-02
Koenen woordenboek 1937

M. J. Koenen's Verklarend handwoordenboek

rekenen

I. rekende, h. gerekend (inrekenen, met as bedekken): het vuur rekenen; gew, II. rekende, h. gerekend (1 cijferen, met getallen werken; met getalbegrippen denken; 2 daarvoor houden, achten, als zodanig beschouwen, ook refl.; 3 veronderstellen; 4 met op: vertrouwen, staat maken): 1. goed kunnen rekenen; juist en vlug uit het hoofd leren rekenen met...

Lees verder
1898
2022-07-02
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Rekenen

Het begrip rekenen heeft 3 verschillende betekenissen: 1. rekenen - rekenen - (w. g.) met asch bedekken; het vuur rekenen. 2. rekenen - rekenen - (rekende, heeft gerekend), tellen: de Christenen rekenen de jaren van Christus’ geboorte af; — begrijpen onder, gelijkstellen: men heeft hem onder de geleerden gerekend; Jezus werd met d...

Lees verder
1898
2022-07-02
J.V. Hendriks

Handwoordenboek van Nederlansche Synoniemen 1898

Rekenen

zie Achten, zie Cijferen.

1573
2022-07-02
Etymologicum 1573

Kiliaans Etymologicum Teutonicae Linguae

Rekenen

Computare, reputare, supputare, numerare, rationem siue calculum subducere vel inire, inire numerum, ratiocinari. germ. raechnen: ang. recken.

Lees verder