kan betekenis & definitie

kan - zelfstandig naamwoord

1. grote beker om vloeistoffen uit te schenken
hij kwam met een kan melk en schonk onze glazen vol
1. alles was in kannen en kruiken
[klaar, geregeld]
2. het onderste uit de kan willen halen
[álles willen hebben]
3. wie het onderste uit de kan wil hebben, krijgt het deksel op zijn neus
[waarschuwing voor mensen die erg begerig zijn]
4. als de wijn is in de kan is de wijsheid in de man
[dronken mensen weten niet goed wat zij doen of zeggen]

Zelfstandig naamwoord: kan
de kan
de kannen
het kannetje