recht betekenis & definitie

recht - bijvoeglijk naamwoord, zelfstandig naamwoord

1. niet gebogen
teken een rechte lijn
1. recht op doel af
[zonder omwegen]
2. recht praten wat krom is
[slechte dingen goedpraten]
3. recht voor zijn raap
[eerlijk en zonder omwegen]
4. recht op iemand afstevenen
[doelbewust naar hem toe lopen]
5. iemand recht in de ogen kunnen kijken
[niets te verbergen hebben voor hem]
6. recht voor zijn raap
[op de man af, zonder omwegen]
7. hou je roer recht
[val niet, wankel niet]
8. recht tegenover
[precies aan de overzijde]
2. horizontaal of verticaal
♢ het schilderij hangt recht
1. recht tegenover mij
[precies tegenover mij]
2. een rechte hoek
[gevormd door twee lijnen haaks op elkaar]
3. met lijnen die haaks op elkaar staan
♢ deze twee lijnen vormen een rechte hoek
4. juist, moreel goed
♢ hij heeft het rechte pad verlaten
1. het bij het rechte eind hebben
[gelijk hebben]
2. van het rechte pad afdwalen
[in de criminaliteit terechtkomen]

1. geheel van wetten en regels
♢ dit is in strijd met het Nederlandse recht
1. hij studeert rechten
[bestudeert het geheel van wetten en regels]
2. het recht aan zijn kant hebben
[gelijk hebben]
3. ongeschreven recht
[dat niet in wetten is vastgelegd]
2. wat je mag doen of hebben
♢ iedereen heeft recht op onderwijs
1. gelijke rechten hebben
[hetzelfde mogen doen of hebben]
2. daar heb ik recht op
[volgens afspraak moet ik het mogen of krijgen]
3. dat is zijn goed recht
[hij mag dat]
3. wat eerlijk en rechtvaardig is
♢ je moet hem wel recht doen
1. met recht
[op grond van goede redenen]
2. recht doen aan iets
[de waarde ervan goed laten uitkomen]
3. het recht van de sterkste
[de sterkste is de baas]
4. het bezit of het gebruik ervan kunnen opeisen
♢ zij heeft recht op een uitkering
1. het recht in eigen hand nemen
[zelf voor rechter spelen]
2. genade voor recht laten gelden
[iemand zijn straf kwijtschelden]
3. dat is mijn goed recht
[dat kan ik eisen of vragen]
4. waar niets is, verliest de keizer zijn recht
[als iemand niets heeft, valt er ook niets te halen]
5. tot zijn recht komen
[zich voldoende kunnen laten gelden]
6. recht van overpad
[om over iemands land te gaan]

Algemene uitdrukkingen:
1. recht gebreid
[waarbij de steken aan de voorkant zijn ingestoken]
Bijvoeglijk naamwoord: recht
... is rechter dan ...
de/het rechte ...

Tegenstellingen
krom, schuin

Algemene uitdrukkingen:
1. tot zijn recht komen
[goed uitkomen]
Zelfstandig naamwoord: recht
het recht
de rechten

Synoniemen
aanspraak

Tegenstellingen
onrecht, plicht, taak