praten betekenis & definitie

praten - regelmatig werkwoord
uitspraak: pra-ten

1. woorden uitspreken, iets zeggen
♢ Kees is een jaar en hij kan nog niet praten
1. laat hem maar praten
[je moet je niets van hem aantrekken]
2. praat me d'r niet van
[ik wil er niets over horen]
3. jij hebt makkelijk praten
[je doet alsof het niet ernstig is, maar dat is het wel]
2. een gesprek voeren
♢ wij moeten eens met elkaar praten
1. met jou kan ik praten!
[wij begrijpen elkaar]
2. langs elkaar heen praten
[elkaar niet begrijpen, maar dat niet merken]
3. ik zal eens met haar praten
[proberen haar tot andere gedachten te brengen]

Regelmatig werkwoord: pra-ten
ik praat
jij/u praat
hij/zij praat
wij/zij/jullie praten
ik/jij/u/hij/zij praatte
wij/zij/jullie praatten
hij heeft gepraat
pratend, pratende

Synoniemen
converseren, kleppen, lullen, spreken
Tegenstellingen
zwijgen