Lexicon van de Ethiek

Verklarend lexicon van de meest gebruikte begrippen uit de hedendaagse ethiek.

Gepubliceerd op 19-04-2017

2017-04-19

Voluntarisme

betekenis & definitie

Het begrip ‘voluntarisme’ is afgeleid van het Latijnse woord voor ‘wil’ (voluntas) en staat voor een stroming binnen de ethiek die de prioriteit van het handelen bij de wil legt. Het voluntarisme kent verschillende vormen, die soms niet tot elkaar te herleiden zijn. Het kan gaan om de menselijke wil, om de goddelijke wil of om de wil op zich. Ook is de terminologie wisselend. Sommige denkers spreken van de wil, anderen van het streefvermogen (conatus) of van de levensdrift (élan vitale). Gemeenschappelijk is vaak de overtuiging dat de morele waarde van het handelen niet door de rede (ratio) wordt bepaald of zelfs geheel onafhankelijk van de rede is. Deze waarde wordt door sommigen afhankelijk gesteld van de menselijke of goddelijke wensen en verlangens of van het streven van de natuur zelf. Het voluntarisme staat in dit opzichte tegenover het ethische rationalisme.

Historische ontwikkeling
Het voluntarisme is een constante factor binnen de geschiedenis van het denken, die steeds opnieuw en met wisselend succes op de voorgrond is getreden, soms heftig bekritiseerd door vertegenwoordigers van het rationalisme. Paradigmatisch voor de kritiek op het voluntarisme is de Platoonse dialoog Protagoras. Hierin verdedigt Socrates de opvatting dat het goede doen noodzakelijk aan rationeel inzicht is gekoppeld. Hij verzet zich tegen de sofisten, die de maat van het handelen niet in een door de ratio te ontsluiten algemeen beginsel leggen, maar in het nut voor de afzonderlijke persoon.

Als beste vertegenwoordigers van het voluntarisme in de oudheid kunnen de atomisten Democritos, Epikuros en Lucretius gelden. Alle ontstaan en vergaan wordt verklaard door wisselende samenstellingen van atomen, die doelloos door de ruimte bewegen. Voor Democritos gaat deze beweging in alle richtingen, voor Epikuros en Lucretius in een verticale beweging naar beneden, met af en toe een minimale zijwaartse afwijking, die geheel volgens eigen ‘willekeur’ plaatsvindt. Deze atomen kunnen wel een bepaalde affiniteit met elkaar hebben en langere tijd samen een geheel vormen, maar uiteindelijk gaat elk atoom zijn eigen weg. Iedere vorm van absolute teleologie wordt verworpen. De menselijke wilsvrijheid is een afspiegeling van de willekeurige beweging van afzonderlijke atomen.

In de late middeleeuwen kreeg het debat tussen rationalisme en voluntarisme zijn klassieke vorm. De dominicanen verdedigden de prioriteit van de ratio, terwijl de franciscanen de wil voorop stelden. Volgens de franciscaan Duns Scotus is de wil per definitie vrij en kan ze door niets in haar vrijheid worden beperkt, ook niet door de ratio. Alle praktische wetten zijn bepalingen van de vrije goddelijke wil. Alleen het gebod van de liefde tot God is een uit zichzelf inzichtelijk praktisch principe. Het verplichtende karakter van deze wetten bestaat in hun overeenstemming met het gebod van de Godsliefde - deze overeenstemming kan met de ratio worden ingezien - of is gefundeerd in de wil van God. De franciscaan Ockham zette deze lijn voort. Alle normen van goed en kwaad gaan uiteindelijk terug op bepalingen van de almachtige goddelijke wil. Er bestaat géén hoogste principe dat uit zichzelf inzichtelijk is; God is volkomen vrij. Hij handelt evenwel steeds volgens de rechte rede (recta ratio), waardoor goddelijk en natuurlijk recht samenvallen.

De Engelse empiristen Hobbes en Hume nemen elementen van het middeleeuws voluntarisme over, maar passen deze toe op de mens. Hobbes stelt in zijn Elements of Law, Natural and Politic dat het menselijke handelen wordt gestuurd door het natuurlijke streven naar zelfbehoud. Om dit zelfbehoud te garanderen leggen mensen bepaalde wetten vast, die voor het verstand inzichtelijk zijn. Hume benadrukt in zijn Treatise of Human Nature dat de menselijke rede geen leidende kracht van het menselijke handelen is. Zij gehoorzaamt aan de passies en wordt door deze ingezet als middel. Passies kunnen alleen worden beheerst door andere passies.

Bij Schopenhauer komt het voluntarisme tot een invloedrijk hoogtepunt. In De wereld als wil en voorstelling wordt de wil als het belangrijkste metafysisch principe gezien. De wereld van de mens is tot in haar kern bepaald door wil en voorstelling. Het menselijke intellect is slechts een instrument van de wil. In dit spoor staat Nietzsches begrip van de Wille zur Macht, een instinctief en heroïsch levensprincipe dat zich op alle terreinen van de werkelijkheid manifesteert, ook op die van de wetenschap en de maatschappij. Een bijzondere vorm van het moderne voluntarisme is Bergsons leer van de évolution créatrice. Alle vormen van leven, ook het menselijke kennen, zijn uitdrukkingen van een levensbeginsel, élan vitale genoemd. Dit beginsel kan intuïtief in de menselijke vrijheid worden waargenomen. De beschouwing van de menselijke vrijheid verschaft zo volgens Bergson toegang tot de scheppende kracht van de werkelijkheid. In het hedendaagse denken speelt de erfenis van Nietzsche en Bergson nog steeds een belangrijke rol, onder meer in het werk van Deleuze en Guatteri.

Wil, vrijheid en wet
De problematiek van het voluntarisme treedt naar voren bij het bepalen van de grondslag van morele waarden. De claim dat goed en kwaad intrinsieke eigenschappen van dingen zijn, wordt door het voluntarisme afgewezen. Handelingen hebben morele waarde in relatie tot de wil van de persoon die de handeling stelt. Zijn de wetten gefundeerd in een principe buiten de mens, bijvoorbeeld de wil van God, dan moet de mens zijn wil aanpassen aan de hogere wil, om de wetten op te volgen. De rede kan dan als instrument dienen om de wetten te ontdekken die door de hogere wil zijn bepaald. Maar steeds geldt, dat de menselijke wil vrij is te besluiten om deze wetten op te volgen. De intentie is van doorslaggevende betekenis. In de wil volgens de wet te handelen ligt de eigenlijke morele waarde.

Dat de wil wetgevende macht is betekent niet, dat een rangorde binnen de geldende wetten onmogelijk is. Deze rangorde heeft echter geen absolute waarde. Ze is afhankelijk van het doel dat de wet bewerkt. Zo kan de gemeenschappelijke wil tot zelfbehoud leiden tot een systeem van wetten, dat de individuele wil in haar vrijheid beperkt. De individuele wil erkent in dat geval die wetten als primair die onmiddellijk tot het behoud van de persoon leiden. Wetten die niet onmiddellijk tot dat doel leiden, worden als secundair gezien.

Een andere fundamentele kwestie is de dwingende kracht van wetten en geboden die niet door de persoon zelf, maar door een vertegenwoordiger zijn uitgevaardigd, bijvoorbeeld in een parlementaire democratie. Volgens de strikte interpretatie van het voluntarisme kunnen wetten alleen dan verplichtend zijn, wanneer de mens vrijwillig met de wetten heeft ingestemd. Deze instemming kan hij overdragen aan een vertegenwoordiger. In geval van conflict is het corrigerend referendum een mogelijkheid om de instemming van de individuele personen te toetsen.

Literatuur
Bergson, H., De scheppende evolutie, vertaald door W. de Marez-Oyens, Amsterdam, 1925 (1907).
Bourke, V, Will in Western Thought, New York, 1964.
Deleuze G., F. Guattari, L'anti-oedipe, Paris, 1980 (1975).
Epicurus, Epistulae tres et ratae sententiae, P. von der Mühll (Hrsg.), Stuttgart, 1975.
Guthrie, W., History of Greek Philosophy vol. 2: The Presocratic Tradition from Parmenides to Democritos, Cambridge, 1965.
Haberkamp, G.,Triebgeschehen und Willezur Macht. Nietzsche zwischen Philosophie und Psychologie, Würzburg, 2000.
Hobbes, Th., Elements of Law. Natural and Politic, J. Gaskin (ed.), Oxford, 1994.
Hume, D., A Treatise of Human Nature, L. Selby-Bigge, P. Nidditch (eds.), Oxford, 1978.
Lucretius, De rerum natura libri sex, C. Baily (ed.), London, 1986.
Muller, S., Handeln in einer kontingenten Welt. Zur Begriff und Bedeutung der rechten Vernunft (recta ratio) hei Wilhelm von Ockham, Tubingen, 2000.
Nozick, R., Anarchy, State, and Utopia, Oxford, 1974.
Schopenhauer, A., De wereld als wil en voorstelling, vertaald door H. Driessen, Amsterdam, 1997 (1818/1819).
Wolter, A., Duns Scotus on the Will and Morality, Washington D.C., 1986.

(M. Hoenen)