Lexicon van de Ethiek

Verklarend lexicon van de meest gebruikte begrippen uit de hedendaagse ethiek.

Gepubliceerd op 19-04-2017

2017-04-19

Nominalisme

betekenis & definitie

Het nominalisme is een richting binnen de wijsgerige semantiek die stelt dat er aan de algemeenheid van begrippen, zoals bijvoorbeeld ‘mens’ niets in de werkelijkheid buiten de menselijke geest beantwoordt.

‘Algemeenheid’ is een eigenschap van begrippen of woorden (nomina), vandaar de naam ‘nominalisme’. Fundamenteel voor het nominalisme is de metafysische claim dat de werkelijkheid uitsluitend is opgebouwd uit individuele entiteiten. 'Algemeenheid’ is een eigenschap die aan het individuele begrip of woord toekomt als teken dat naar andere individuen verwijst: het woord ‘mens’ staat voor alle individuele mensen. Individuen worden door hetzelfde woord benoemd uitsluitend vanwege onderlinge overeenkomst of gelijkenis, niet op grond van een identieke soortelijke algemeenheid. Wat voor tekens geldt, geldt ook voor betrekkingen tussen tekens zoals deze in algemene wetten tot uitdrukking komen. De algemeenheid van de wet is uitsluitend theoretisch en bestaat slechts op het niveau van het menselijke denken. Het nominalisme verzet zich op dit punt tegen het realisme, dat algemeenheid als een eigenschap van dingen ziet, die buiten het menselijke denken bestaat.

De metafysische en semantische claims van het nominalisme hebben directe gevolgen voor de theologie en de ethiek. Als de werkelijkheid slechts uit individuen bestaat, kan God individuen scheppen en vernietigen zonder tussenkomst van iets anders. Hij is dan niet gebonden aan een hiërarchisch systeem van oorzaken of wetten. Elk individu staat in een onmiddellijke relatie met zijn directe oorzaak. God heeft de schepping op een bepaalde manier ingericht, maar dat betekent niet dat deze orde noodzakelijk is of dat ze niet anders had kunnen zijn. God is in zijn handelen geheel vrij en heeft als eerste oorzaak absolute macht. Deze absolute macht wordt potentia dei absoluta genoemd. Heeft God tot een bepaalde orde besloten, dan heet deze macht potentia dei ordinata. De notie van potentia dei absoluta heeft in het nominalisme een grote heuristische betekenis. Als God op grond van zijn potentia absoluta A zonder B kan maken, zijn A en B twee afzonderlijke dingen, die niet noodzakelijk met elkaar verbonden zijn. Door de nadruk op de wil van God is het nominalisme verwant met het voluntarisme. Voorschriften ontlenen hun verplichtend karakter niet aan de evidentie van de inhoud, maar aan het feit dat God wil dat ze door de mens worden nageleefd. Moderne voluntaristische theorieën leggen het fundament van ethische voorschriften veelal in vrije besluiten van de menselijke wil.

Historische ontwikkeling
De discussie over de status van algemeenheden gaat terug tot in de Oudheid. Ze werd op klassieke wijze tot uitdrukking gebracht in de Isagoge van Porphyrius. De term ‘nominalisten’ (nominales) is echter van latere datum. Ze trad voor het eerst naar voren in de grammatica en logica van de twaalfde eeuw. Een anoniem tractaat (De universalibus) uit die tijd schreef aan de nominales de opvatting toe dat algemene termen (genera en species) niets anders zijn dan woorden (vocabula). Ook in de vroege dertiende eeuw werd deze opvatting aan de nominales toegeschreven, onder meer in het anonieme werk Positiones nominalium. Albertus Magnus gaf in zijn commentaar op de Isagoge van Porphyrius een conceptuele interpretatie van het nominalisme. De algemeenheid (communitas) van algemene termen (universalia) bestaat alleen in het menselijke intellect, niet daarbuiten (Super Porphyrium p. 19b).

In de veertiende eeuw werd de term ‘nominalist’ niet gebruikt om naar tijdgenoten te verwijzen. Ockham werd bijvoorbeeld in zijn tijd nooit als zodanig aangeduid. Dat gebeurde pas in de vijftiende eeuw. Het nominalisme nam een belangrijke plaats in bij de debatten tussen de wijsgerige scholen en kreeg een vaste plaats in het curriculum van enkele universiteiten (Wenen, Heidelberg, Erfurt). Men greep daarbij terug op het werk van veertiende-eeuwse denkers als Johannes Buridanus en Marsilius van Inghen, die als de belangrijkste vertegenwoordigers van het nominalisme werden beschouwd.

In de moderne tijd werd de nominalistische interpretatie van algemeenheden met name verdedigd in het Engelse empirisme. Hobbes schreef in zijn Leviathan dat er alleen individuen bestaan. Algemeenheid is daarom slechts een eigenschap van woorden die naar individuen verwijzen. Volgens Locke zijn algemeenheden door het denken gemaakt en bestaan ze op geen enkele manier buiten het denken (‘there being nothing in the world universal but names; for the things named are every one of them individual and singular’, Locke Essay, p. 21). Algemene begrippen verwijzen slechts naar identieke individuele kwaliteiten (Locke) of naar overeenkomsten tussen individuen (Hume) in de werkelijkheid.

Wittgenstein en Goodman kunnen als hedendaagse vertegenwoordigers van het nominalisme gelden. Wittgenstein beschouwde in zijn Philosophische Untersuchungen algemene begrippen als familiegelijkenissen, zonder reële identiteit of algemeenheid in de individuen te postuleren: ‘Denn, wenn du sie (de verschillende spelen) anschaust, wirst du zwar nicht etwas sehen, was allen gemeinsam ware, aber du wirst Ähnlichkeiten, Verwandtschaften, sehen und zwar eine ganze Reihe’ (Wittgenstein 1951, I, 66). Ook Goodman ontkende het bestaan van algemeenheden en eiste in zijn Problems and Projects dat ‘all entities admitted, no matter what they are, be treated as individuals’ (Goodman 1972, p. 157).

Complicaties
Nominalisten beschouwen algemeenheid als een eigenschap van begrippen, maar hebben een verschillende mening over de aard van begrippen. Sommigen identificeren begrippen met kenacten. Het begrip ontstaat en verdwijnt samen met de kenact. Er bestaan dan evenveel begrippen als feitelijke kenacten. Dit heeft grote consequenties voor de manier waarop over waarheid van algemene proposities wordt gedacht. Alleen proposities die feitelijk worden gedacht zijn dan waar of onwaar. Er kunnen in dat geval méér ware proposities zijn dan onware, en omgekeerd. Bovendien kunnen er meerdere ware (en onware) proposities bestaan van één en dezelfde toedracht. Andere nominalisten beschouwen het begrip als bovenindividueel en leggen nadruk op de inhoud van de kenact. Eén en hetzelfde begrip kan door verschillende mensen worden gedacht. De inhoud van het begrip is onafhankelijk van het feitelijk gedacht of uitgesproken worden.

Een ander probleem voor het nominalisme is, hoe noodzakelijke relaties bij contingente individuen, zoals die bij natuurwetten worden verondersteld, tot uitdrukking te brengen. Hiervoor wordt meestal de hypothetische vorm gekozen: als individu X bestaat, en X heeft de eigenschap F, dan zal X ook de eigenschap G hebben. Nominalisten die de absolute macht van God als heuristisch principe gebruiken, worden door realisten dikwijls met het probleem geconfronteerd, of God niet met zichzelf in tegenspraak komt als hij individuen kan vernietigen zonder tussenkomst van iets anders. Hoe kan hij individu X vernietigen als hij individu X heeft voortgebracht, zonder dat er verder iets verandert? De nominalisten stellen hierop dat God vanwege zijn potentia ordinata aan de bestaande orde is gebonden, maar niet vanwege zijn potentia absoluta. De absolute macht van God kan namelijk niet worden beperkt door iets dat hij zelf heeft voortgebracht.

Literatuur
Albertus Magnus, Super Porphyrium de V universalibus. Ed. A. Borgnet, vol. I, Parijs, 1890.
Armstrong, D. M., Nominalism and Realism. Universals und Scientific Realism, vol. I, Cambridge, 1978.
Goodman, N., Problems and Projects, Indianapolis, 1972.
Hobbes, T., Leviathan, deel I vertaald door W.Krul en B. Tromp, Meppel, 2002 (1985) (1651).
Iwakuma, Y., Ebbesen, S., ‘Logico-Theological Schools from the second Half of the 12th Century’, Vivarium, vol. 30, 1992.
Libera, A. de, La querelle des universaux, Parijs, 1996.
Locke,J., An Essay Concerning Human Understanding, Oxford, 1975 (1690).
Michon, C., Nominalisme. La théorie de signification d’Occam, Parijs, 1994.
Muller, S., ‘Nominalismus in der spätmittelalterlichen Theologie’, in: M. Hoenen, P Bakker, (Hrsg.), Philosophie und Theologie des ausgehenden Mittelalters, Leiden, 2000, pp. 47-65.
Porphyrius, Isagoge, ed. A. Busse, Berlijn, 1887.
Wittgenstein, L., Filosofische onderzoekingen, vertaald door M. Derksen en S. Terwee, Amsterdam, 1992 (1951).

(M. Hoenen)