Katholieke Encyclopaedie

25 delen, uitgegeven 1933-1939. Uitgeverij Joost van den Vondel te Amsterdam.

Gepubliceerd op 24-04-2019

Diaken

betekenis & definitie

Diaken - (Gr. diakonos = dienaar).

1° In de Kath. Kerk persoon, die de diakonaatswijding ontvangen heeft, d.i. de laatste vóór het priesterschap. Zie verder ➝ Diakonaat.
2° In den meer uitgebreiden zin is d. (vgl. Act. 6. l-6, Phil.l.l, Tim. 3.8-13) ieder, die eenige kerkelijke functie uitoefent. ➝ Diakonaat. In engeren zin wordt het woord later gebruikt voor een afzonderlijke klasse van personen, die zich in dienst stellen van de barmhartigheid en meer in het bijzonder ambtelijk met de verzorging der armen zijn belast. Dit liefdewerk was in den loop der eeuwen overgenomen door de kloosters.

Luther bracht het als afzonderlijk instituut weer naar voren, al kwam het onder hem niet tot ontwikkeling. Beter slaagde in dit opzicht Calvijn, die twee soorten van diakenen aanstelde nl. voor de armenzorg en voor de ziekenverpleging, waarvan de eerste zich als vaste instelling bleef handhaven. Volgens art. 25 der Kerkenordening bestaat de taak der diakens in het verzamelen, het uitdeelen en de verantwoording der gaven.

Wachters.