D betekenis & definitie

De vierde letter van het alphabet, in het Grieksch delta (van Syr. daleth = deur), stelt voor: den stemhebbenden, aan het eind van woorden en lettergrepen den stemloozen dentalen klapper.

Het Romeinsche getal D (= 500) is ontstaan uit de halveering van CD = 1000. In afkortingen: D in Rom. inscripties beteekent Deus, die, divus, decurio enz.; D. (Lat.) in eigennamen is Decimus; d. (Lat.) in brieven = dabam, Ned. „gegeven”; d. bij aanduiding van geldswaarden = (Lat.) denarius, nu voor (Eng.) penny (mv. pence), geldstukje; d. in theologie en philosophie = (Lat.) distinctio, onderscheiding; d. op recepten = (Lat.) detur, men geve; d. in rechtswetenschap = (Lat.) digesta (pandecten); d. voor eigennamen is don (Sp., heer), dom (Port., heer), dean (Eng., deken); d. in scheikunde = (Lat.) dexter, rechts, voor: optisch rechts draaiend atoom, → Asymmetrisch koolstof-atoom; d. (ook deb.) in handelstaal — (Lat.) debet, debent, hij is, zij zijn schuldig; din het metrieke stelsel = deci-; dain het metrieke stelsel = deca-; d/a in handelstaal = (Eng.) → documents against acceptance; dat. (grammatica) = (Lat.) dativus, derde naamval; d.a.v. = daaraanvolgend; d.d., ook d.d. = (Lat.) de dato, van heden; D.D. in Romeinsche inschriften = (Lat.) dono (donum) dedit, hij gaf ten geschenke ; D.D., titel, = (Eng.) Doctor of Divinity, doctor in de godgeleerdheid;

D.D. = (Lat.) dat, dicat (donat), dédicat, hij geeft, draagt op (schenkt), wijdt toe, Romeinsche toewijdingsformule; later als opdracht in boeken enz.;

del. = → Deleatur; delin. = → Delineavit; dep., dept. = departement; Deut. = → Deuterononium, D.G. = (Lat.) Dei gratia, door de genade Gods, of (Lat.) Deo gratias, Gode zij dank; d.i. = dat is; D.J.U., titel, = (Lat.) Doctor juris utriusque, doctor in de beide rechten; dl. = deel; D.M.(S.) in Rom. inscripties = (Lat.) Dis Manibus (Sacrum), aan de goddelijke schimmen, aan de zielen der afgestorvenen (toegeheiligd); D.O.M. in inschriften = (Lat.) Deo Optimo Maximo, aan den besten en hoogsten God (toegewijd); Dom voor namen = (Lat.) heer, voor geestelijken, in het bijzonder voor Benedictijnen; dr. = (Lat.) doctor; drs. = (Lat.) doctorandus; ds. = (Lat.) dominus, dominee, predikant; D.Sc., titel, = (Eng.) Doctor of Science, doctor in de natuurwetenschappen; D.V. — (Lat.) Deo Volente, met Gods wil; dw. dr. = dienstwillige dienaar; d.w.z. = dat wil zeggen.

D is in de muziek de benaming voor den 4en toon van de grondladder (A, B, C, D, E, F, G). In de Romaansche landen en België noemt men D onveranderlijk Re. Als sleutelletter komt d voor in de eerste tijden van het lijnenschrift, maar dan tegelijk met a, bijv. Ie lijn d, 3e lijn a. Vanaf de 13e eeuw vindt men d als sleutelletter ook in tabulaturen die het heele toonsysteem omvatten; tevens als dd (maar dan te zamen met g eengestreept) in discantgedeelten van Duitsche tabulaturen. Hoofdletter D duidt den toonaard D majeur aan; kleine letter d den d mineur-toonaard.

Als afkorting wordt d geschreven voor destra (rechts), bijv. m.d. = mano destra (rechter hand); ook staat d voor da of dal, bijv. D.C. (da capo) en D.S. (dal segno). D. kan ook Discantus beteekenen als stemaanduiding. Ten slotte is D in Riemann’s harmoniesysteem het teeken voor de dominant-functie. → Dominant. de Klerk