Katholicisme encyclopedie

Onder redactie van Prof. dr. J.C. Groot

Gepubliceerd op 02-01-2020

KERK

betekenis & definitie

(van Gr.: kuriakè (oikia), huis des Heren) Betekent allereerst het kerkgebouw; vervolgens de gemeenschap der gelovigen, die in de Schrift ook wordt gezien als een bouwsel door God zelf opgetrokken en voor zijn dienst bestemd. Het woord kan men echter in het geldend spraakgebruik zonder meer opvatten als weergave van ekklèsia (de te zamen geroepen volksmenigte of volksvergadering), in de Septuagint de vertaling van qahal, dat in eerste instantie duidt op de vergadering van het (joodse) volk, door goddelijke convocatie saamgebracht, en vandaar de gehele Godgewijde gemeenschap van het Israëlietische volk betekent.

Ofschoon het N.T. het woord nog enkele malen in deze oudtestamentische zin gebruikt, is de gewone betekenis daar de vergadering of de gemeenschap der Christenen, hetzij locaal, hetzij universeel. In de Evangeliën komt ekklèsia slechts tweemaal voor (Matth. 16 : 18 en 18 : 17).Godsdiensthistorisch noemt men Kerk: een zelfstandige en georganiseerde bestaansvorm van een godsdienst, hetzij plaatselijk, hetzij algemeen. Aangezien er buiten het Christendom in de wereldgodsdiensten weinig samenhangende organisatie bestaat, beperkt men het woord Kerk vrijwel tot de christelijke groeperingen. Feitelijk staan wij voor een verdeeld Christendom, met vele „Kerkformaties”, terwijl toch bij alle, min of meer uitgesproken, de overtuiging leeft, dat er slechts één ware en werkelijke Kerk van Christus zijn moet. Zo stelt zich voor ieder het probleem van de verhouding tussen de éne Kerk en de vele „Kerken”, het probleem van de sporen der ene Kerk in de vele andere.

Wat is nu deze ware en werkelijke Kerk van Christus, die in het Apostolicum als voorwerp van geloof, als geloofsmysterie beleden wordt? Zeker niet een louter onzichtbare Kerk. Ook al deed de reformatorische bewering: „Wat men van de Kerk zien kan, is nog niet de ware en werkelijke Kerk, maar zij is daar waar men in en door de H. Geest gelooft, liefheeft en hoopt, waar bekering, wedergeboorterechtvaardiging en heiliging plaats grijpen” verscheidene malen in het Protestantisme minachting ontstaan voor de zichtbare Kerk, toch is dit niet de eigen visie der Reformatoren. Volgens hen is de Kerk: de Gemeente, die God bezig is door zijn Woord en Geest uit te lezen uit alle volken en te vergaderen tot een Gode geheiligd en toegewijd volk. Deze Kerk is niet uitsluitend onzichtbaar: zij wordt integendeel overal zichtbaar en hoorbaar, waar gemeenten samenkomen onder leiding van wettig gekozen en bevestigde „dienaren”, die het Woord verkondigen en de Sacramenten (doop en avondmaal) bedienen overeenkomstig de Schrift. De zichtbare Kerk is echter niet de ware en werkelijke Kerk in volstrekte identiteit.

Zij herbergt ook de schijngelovigen, die geen gemeenschap' met Christus hebben. De Kerk in strikte zin omvat alleen de ware Christus-gelovigen. Daar dezen alleen bij God bekend zijn, is het ónmogelijk om aan te wijzen wie zij zijn en in welke Kerken ze zich bevinden. In zoverre is de Kerk dus ook in dit opzicht onzichtbaar. Zichtbaar is de Kerk echter tevens, omdat ze door en rondom zichtbare heilsmiddelen „in de verschijning treedt".

Volgens katholieke opvatting is de Kerk in haar zichtbare gestalte tegelijk de mysterievolle werkelijkheid der ware Kerk in volstrekte identiteit. Daarom is zij, ook als zichtbaar, één. Als Christus zegt, dat de poorten der hel haar niet zullen overweldigen (Matth. 16 : 18), dan betekent dit dat zij ook in haar zichtbare eenheid gegarandeerd wordt door bovenmenselijke macht. Zondige afscheuring van mensen tast niet de echte, ook zichtbare eenheid der ware Kerk aan, doch is een zich plaatsen buiten die eenheid. Plet is niet alsof een glas in stukken viel en men voor louter scherven staat. Bij schismatische of ketterse afscheuring blijft de ware Kerk, ook in haar zichtbare eenheid, voortbestaan.

De Kerk die op het eerste Pinksterfeest als zichtbare grootheid in de wereld trad en door deze intrede volledig wordt geconstitueerd, leeft dus voort en is voor de zoekende waarneembaar en herkenbaar. Dit aan te tonen was vooral het doel van de apologetische verhandelingen over de Kerk, die eenzijdig naar haar zichtbare structuur grepen om aan te duiden, waar zij dan wel te vinden was. Plet resultaat van dergelijke beschouwing ligt als het ware saamgevat in de beschrijving der Kerk van Bellarminus: „De vereniging van mensen, verbonden door de belijdenis van hetzelfde christelijk geloof en de gemeenschap van dezelfde sacramenten, onder het bestuur van de wettige herders en vooral van de éne plaatsvervanger van Christus op aarde, de paus van Rome”. Deze beschrijving levert het eigenlijk diepste wezen, het mysterie der Kerk, niet uit, evenmin als zij de inbouw van de zichtbare en,,juridische' ’ structuur in het totale wezen der Kerk verklaart. De dogmatisch-theologische beschouwing zoekt dan ook dieper naar het wezen van die in de tijd staande en tegelijk boven de tijd uitgaande realiteit der Kerk. Ook al kan men haar noemen „de gemeenschap der Christusbelijders” (congregatie: fidelium is een term die veelvuldig in de middeleeuwse literatuur voorkomt), toch kan men bij dit min of meer empirisch begrip niet blijven staan.

Want deze gemeenschap is niet een schepping van mensen, uit een behoefte om gemeenschappelijk Christus te volgen gesticht, maar een gemeenschap die samenkwam door goddelijke samenroeping en door Christus als de gezondene des Vaders in het aanzijn werd geroepen. Niet de gelovigen zijn eerst, en vervolgens door hun toedoen en actie de Kerk. Neen, de Kerk is eerst en de mensen treden tot haar toe door het geloof in de apostolische prediking en door de Doop, die de inlijving in Christus is.

Het woord inlijving verwijst naar de bijbelse gedachte, dat de Kerk het Lichaam van Christus is. Zeker kan men het wezen der Kerk benaderen vanuit de benaming: volk Gods, waarin het verband van de Kerk met het oude Israël volop doorklinkt en de verbondsgedachte tot uitdrukking komt. Wanneer in de volheid der tijden de Kerk het volk Gods genoemd wordt, dan is de idee van „ethnische” eenheid overstegen. De Kerk is het nieuwe Israël, tegelijk voortzetting van en breuk met het oude. Want als zij voortzetting is, dan is het niet op de basis van generatieve samenhang, maar door de wedergeboorte in Christus, waardoor de werkelijkheid der verlossing ten deel valt aan hen die uit alle stammen en talen worden saamgeroepen. Ook de aard van het verbond is dus anders; het is een nieuw en eeuwig verbond, ingewijd niet met het bloed van offerdieren, maar met het kostbare bloed van Jesus zelf, dat de verlossing heeft bewerkt en nu waarachtig in de Eucharistie gereikt wordt aan allen die tot Gods volk behoren. Zo is het oude verbond geweken voor het nieuwe, niet in de zin dat het plaats moest maken voor een totaal nieuwe realiteit waarmee het geen connectie had, maar omdat het afloopt in zijn voltooiing.

Maar hoe terecht men het aspect volk Gods in de Kerk belicht, toch zegt de encycliek Mystici Corporis (1943), dat er ter nadere bepaling en beschrijving van de Kerk geen betere uitdrukking bestaat dan: het mystieke Lichaam van Christus. In deze naam vatten wij de twee opzichten samen, die bij iedere beschouwing over de Kerk op een of andere wijze optreden: de Kerk is een innige levens- en liefdesgemeenschap; zij is ook een zichtbaar en tastbaar organisme. Zij heeft lichamelijkheid, zichtbare structuur, welke in de zending der apostelen en de instelling der sacramenten verankerd ligt. Als lichaam is zij één, onverdeeld, concreet; iets wat een veelheid van ledematen bezit, onderling organisch en hiërarchisch verbonden; voorzien van organen om te zorgen voor leven, gezondheid en groei. De Kerk is een zichtbaar genade-organisme, dat voortkomt uit hetgeen de Heer voor ons heil gedaan heeft „in de dagen van zijn vlees” (Hebr. 5:7). Tegelijk is zij, ook in deze aardse phase, al een levensgemeenschap, die in een vitaal contact staat met haar hemels Hoofd.

Zo heeft de Kerk enerzijds een onmiskenbaar verband met de Christus in zijn aards bestaan; anderzijds vormt zij een levenseenheid met de verheven Heer in en door zijn H. Geest.

Deze dubbele betrekking en dit tweevoudig aspect kan men niet van elkaar isoleren zonder het wezen der Kerk geweld aan te doen. Het mystieke lichaam duidt tegelijk op de bovennatuurlijke levensgemeenschap van allen-in-één-enkele (in Christo) én op het samenstel van organen ter verwerkelijking van deze gemeenschap. Tijdens haar aardse staat verbindt de Kerk beide in onverbrekelijke eenheid. Zij is een gemeenschap van genade en van cultus, maar daarom juist toegerust met al de institutionele elementen, die tot heiliging en eredienst nodig zijn: de geloofsschat, de sacramenten, het offer der Eucharistie, en de apostolische hiërarchische machten om dit alles te bedienen. De Kerk is ingesteld om het heilbrengend werk der verlossing te bestendigen. Zoals Christus’ zending was gericht op de verzoening tussen God en het zondige mensdom, waarin de Vader verheerlijkt wordt (cultus) en de mensen verlost en tot een nieuw schepsel gemaakt (heiliging en heil), zo is de voortzetting van zijn werk de taak der Kerk.

Daartoe zond Christus zijn apostelen en hun opvolgers; daartoe, eenmaal verheerlijkt, zond Hij zijn Geest. In de onderling verbonden werking van zijn twee gezondenen, de H. Geest en het apostolisch college, ligt de kracht waardoor Christus’ lichaam wordt opgebouwd.

In het ambt, de prediking en de sacramenten werkt Christus' zending zich heiligend in de Kerk op aarde uit. Het zijn zichtbare, waarneembare werkelijkheden, onontbeerlijk voor de structuur van de Kerk op aarde. Maar in deze zichtbare dingen zelf zijn goddelijks en menselijks vereend. Zij zijn tegelijk symbool en oorzaak, teken en kracht van geestelijke werkelijkheid: geloof, genade, liefde, in één woord: van goddelijk leven, waaraan de mens deelachtig wordt gemaakt. In deze bemiddeling van waarheid en genade, die ons door Christus gewerd, is de Kerk, ondanks de fouten van haar leden en ambtsdragers, aan de zondige machten dezer wereld onttrokken, d.w.z. in de beslissende leerverkondiging en in haar sacramentele werkzaamheid blijft de Kerk onaantastbaar voor de wereld, wegens haar eenheid met Christus als levendmakende Geest (zie Onfeilbaarheid en werking der sacramenten ex opere operato). Ook al is er veel zonde in haar, de zonde komt niet van haar.

Zij is naar Paulus’ woord zuil en grondslag der waarheid (Tim. 3,15 ). Wat zij geeft, is heiligheid. Zij is het orgaan van de Geest van waarheid en liefde. Volgens katholieke opvatting is er geen zichtbare Kerk naast een onzichtbare. De kerkelijke gemeenschap zelf is het mystieke lichaam van Christus; de zichtbare inrichting zelf is bovennatuurlijk. De kerkelijke „maatschappij” blijft het door God gewilde heilsinstituut.

Juist in haar vaste overtuiging dat zij, in tegenstelling tot iedere andere Kerkformatie, dit door Christus gestichte heilsinstituut is, waaraan Hij ambtelijk de verkondiging der heilswaarheid en de uitdeling der heilsgenade heeft toevertrouwd, noemt de R.K. Kerk zich de alleenzaligmakende. Dit wil niet zeggen, dat alle Katholieken zalig worden, noch ook dat alléén Katholieken zalig worden, maar wel dat de éne zichtbare Kerk, die door Christus, de enige middelaar, werd gesticht, naar Gods bedoeling ook het middel is om het heil aan allen te brengen en dat het dus heilsnoodzakelijk is tot deze Kerk op enigerlei wijze te behoren. Op enigerlei wijze, want naast het actuele, daadwerkelijke lidmaatschap (in re) kent de katholieke theologie een ander (in voto), d.w.z. het lid-zijn door een impliciet verlangen of begeerte, waardoor een geestelijke band of innerlijke aansluiting met de Kerk wordt verkregen. Positief uitgedrukt: wanneer iemand het heil gewordt, dan gaat dit niet buiten de Kerk om.

Wij hebben gesproken over de ware Kerk van Christus op aarde: de Catholica. Wanneer verscheidene Vaders de Kerk laten beginnen bij Abel en zien voortgezet langs de lijn van Aartsvaders en Profeten, dan grijpen zij in voorafbeelding op het eigenlijke begrip der Kerk vooruit. Ook kan men spreken over de hemelse Kerk (de zegevierende Kerk der gelukzaligen of de Kerk in haar eindtoestand na het jongste gericht). Dit zijn echter verbredingen van het Kerkbegrip; de strikte zin blijft die welke boven werd ontwikkeld. Van deze Kerk kunnen wij zeggen, dat zij om haar onaantastbare heiligheid reeds nu, in de tijd onzer geschiedenis en de ruimte dezer wereld, voor verwerkelijking is van het hemels Jerusalem en het rijk Gods, „een anticipatie van het koninkrijk... een bruggenhoofd daarvan in deze wereld. G.D.G.