Pauillac betekenis & definitie

Vertegenwoordigt St-Julien het kalme, zelfverzekerde, ietwat intellectuele centrum van de Médoc, Pauillac zorgt voor drama, opwinding en kanonschoten, om maar eens wat metaforen te gebruiken. Zo moeilijk als het is om St-Julien te bereiken — de weg loopt door drassige weilanden en over jolles (nogal modderige, vaak onfris ruikende beken of sloten) - zo onopvallend is de overgang van St-Julien naar Pauillac.

De wijngaarden van Léoville Las Cases liggen op een steenworp afstand van die van Latour, dat tussen de D2 en de rivier ligt; de wijnstokken zijn nauwelijks te onderscheiden van die van de Pichons aan de linkerkant van dezelfde weg. Als om de verwarring te vergroten heeft een stuk land van zestien hectare dat binnen de grenzen van de gemeente St-Julien ligt, het recht de appellation Pauillac te voeren, omdat het deel uitmaakt van de wijngaard van een van de Pauillac-châteaux.

De gemeente Pauillac bestaat uit twee verschillende delen; ze zijn ongeveer even groot, maar zien er totaal verschillend uit en brengen wijnen voort die iets in stijl uiteenlopen. Pauillac, de grootste plaats in de vier grote Médoc-districten, fungeert als een soort scharnier in een vouwdeur, waarvan het noordelijke en zuidelijke deel de twee panelen vormen. Het gebied ten zuiden van de stad wordt gedomineerd door Château Latour, waarvan de druivenstokken op een goed gedraineerde croupe aan de rivier staan; daarnaast liggen het tweetal tweede crus Pichon-Longueville (voorheen Longueville Baron) en Pichon Longueville Comtesse de Lalande. De rivier is hier dominant aanwezig: vanuit Latour zie je hem achter het weideland van de palus liggen, en de beide Pichons liggen maar een veld verder. Verder richting Pauillac komt men door het dorp St- Lambert, waarna het gehucht Bages volgt, waar de zo populaire en aantrekkelijke Lynch-Bages vandaan komt.

Als je Pauillac aan de westkant passeert, kruis je een spoorlijn, waarna de weg stijl omhoogloopt naar hetnoordelijke, hoogst gelegen deel van het wijngebied Pauillac,- waar de twee andere eerste crus worden geproduceerd, de châteaux Lafite Rothschild en Mouton Rothschild. Daarachter ligt het Carruades-plateau dat deze twee châteaux delen en, dichterbij, het even mooi gelegen Château Pontet- Canet. Het land ligt hier hoger en op grotere afstand van de rivier dan in het zuiden het geval is.

Deze twee delen van Pauillac verschillen in aanblik, en de wijnen zijn verschillend van karakter — in zoverre, dat in bepaalde jaren de St-Julien en de zuidelijke Pauillac elkaar niet veel ontlopen, terwijl de hoger gelegen wijngaarden in het noorden wijn produceren die meer uitgesproken en krachtiger van bouquet en smaak is. Persoonlijk heb ik altijd een zwak voor het stadje Pauillac gehad, met zijn lange, rechte boulevard met zijn bescheiden huizen, restaurants en het ene chateau, Grand- Puy Ducasse, die allemaal uitkijken over de normaliter rustige, grijsgroene rivier met de pier en de jachthaven. De Gironde is hier verrassend breed, van oever tot oever ongeveer 5 kilometer. De sfeer doet me altijd denken aan een slaperige oliehaven in Venezuela bij laag tij. Gelukkig is de olieraffinaderij van Shell ten noorden van de stad niet meer in bedrijf. De rook uit de lange dunne schoorstenen kon je vroeger vanaf Lafite nog zien, maar vervuilt nu de lucht niet langer. Vroeger vreesde men voor een negatieve invloed op de smaak van de druiven, ondanks het feit dat de wind meestal de tegengestelde kant uit blies.

De châteaux, wijngaarden en wijnen
Lafite, waarvan de wijn al in de 17e eeuw bekend was en tegen het midden van de 18e eeuw al aanzien genoot, was een van de eerste vier premiers crus die Thomas Jefferson noteerde gedurende zijn bezoek aan Bordeaux in mei 1787. Hij plaatste orders voor wijn bij Lafite, Margaux en andere châteaux, en stond erop dat zijn wijn ter plekke werd gebotteld - omdat hij de wijnhandelaren niet vertrouwde. Hij gaf tevens zijn agent in Bordeaux de opdracht om de flessen te etiquetter, herkenbaar te maken. In die tijd waren etiketten namelijk nog geen gewoonte, en de wijn werd vervoerd per 50 flessen of meer per pakmand en niet in duidelijk gelabelde kisten van 12 flessen. Jefferson loste het probleem van gemengd vervoer op door in de flessen met wijn voor dagelijkse consumptie met een diamant de eerste letter van de wijn te laten kerven, bijvoorbeeld ‘F’ voor Fron- tignan. Bij de eerste crus, die zelfs toen al erg duur waren, liet hij in elke fles de volledige naam van de wijn en het jaar graveren. Toen hij in 1791 wij n voor zichzelf en de president, George Washington, bestelde, liet hij ook nog eens de initialen TJ en GW in de flessen graveren, zodat de flessen bij aankomst in Philadelphia meteen gesorteerd konden worden.

Volgens Franse historici is het ontstaan van de markt voor eerste crus te danken aan de Engelse aristocratie. Lafite werd van meet af aan beschouwd als de beste premier cru, en was de hoeksteen van menige adellijke wijnkelder. Ook toen al werden de beste wijnen gereserveerd voor speciale gelegenheden, wat verklaart waarom bij het overlijden van de eigenaars de flessen Lafite er vaak nog onaangeroerd lagen en de erfgenamen de wijn in veiling brachten als ‘the property of Noblemen deceased’ (eigendom van overleden edele). Net als nu trokken ze altijd willige kopers aan. ‘Lafete’ (sic) was de eerste wijngaard waarvan in februari 1788 de naam in een veilingcatalogus van Christie’s specifiek werd vermeld.

Het chateau zelf, dat van de 17e eeuw dateert, ziet eruit als een voorname, oude, grillig opgezette boerderij. Het heeft een nogal lelij ke toren, een elegant peperbustorentj een een mooi terras. Het interieur is echter geheel het tegendeel; kleine salons, een dinerzaal van normale afmetingen en slaapkamers die smaakvol in fin-de-siècle-stijl werden ingericht, met muren en meubelen die met damast zijn bekleed. Portretten van telgen uit het geslacht Rothschild hangen aan de muur. Een warm -en, wanneer familie en vrienden vanuit Parijs naar het zuiden afzakken, druk be-woond huis met een oorspronkelijke sfeer.

Mijn persoonlijke herinneringen aan Lafite betreffen zondagse lunches met gekookte eieren die door een witgehandschoende bediende werden opgediend op een platte rieten schaal. Bij de soldaatjes van geroosterd brood die in het zachte eigeel werden gedoopt, werd een Lafite uit 1912 geschonken! Tafelgenoten waren altijd beschaafd en spraken hun talen. Na de lunch volgde een snelle rit in de Volvo van Eric de Rothschild, waarin we in slechts 20 minuten naar het strand reden om er een stevige wandeling te maken, waarbij de topless zonnende toeristen uit Zweden zorgvuldig werden genegeerd. Na een even heerlijk diner klom ik dan in mijn zeer hoge, ouderwetse en zeer comfortabele hemelbed. Een dergelijk romantisch verhaal doet vermoeden dat er geen geoefende blik of een oplettend oog voor nodig is om te genieten van de prachtig glooiende heuvels met gelijkmatige rijen druivenstokken die in sensuele rondingen naar de weg aflopen. In deze ideale ligging, niet in de rijkdom van de Rothschilds, schuilt de essentie van Lafite; en natuurlijk in de juiste klimatologische omstandigheden tijdens het groeiseizoen, in combinatie met expertise in de wijnmakerij.

En de wijn? Een goede Lafite heeft een vrouwelijke charme die in niets lijkt op het karakter van Mouton en Latour, maar kan toch buitengewoon lang liggen. Ik heb het voorrecht gehad om de 1799 van het chateau te proeven die, zij het enigszins verzwakt, nog steeds goed te drinken was, en jaargangen uit de pre-phylloxeraperiode die nog steeds diep, weelderig en voortreffelijk smaakten. Be langrijker nog dan de houdbaarheid is de welhaast wonderbaarlijke wijze waarop de wij n na het bottelen nuances en facetten ontwikkelt die j e betoveren en doen duizelen als een caleidoscoop. Lafite is niet altijd een opvallende wijn, zeker niet voor degenen die alleen onder de indruk raken van een diepe kleur en veel nadrukkelijk fruit. Lafite heeft tijd en lucht nodig. Hij is vaak misleidend licht van kleur en stijl. Thomas Jefferson schreef na zijn bezoek aan Bordeaux dat ‘er voor rode wijn vier wijngaarden van eerste kwaliteit zijn, te weten: 1. Chateau Margau... 2. La Tour de Ségur (Latour)... 3. Hout Brion (Haut-Brion)... 4. Chateau de la Fite’. Hij voegt daaraan toe: ‘de wijnen van de eerste drie zijn pas op hun best als ze vier jaar oud zijn’. Hij vermeldt de grootte van elke wijngaard, de gemiddelde productie en de prijzen van verschillende jaren. Lafite werd echter toen al beschouwd als een lichtere wijn. En toch was zelfs de opmerkzame Jefferson natuurlijk onkundig van het unieke vermogen van de wijn om te rijpen en zich te ontwikkelen.

Lafite werd gekocht door Baron James Rothschild, de rijkste man van Frankrijk, op de veiling in 1868 voor de verbijsterende som van 4,4 miljoen (oude) franc. Zijn neef Nathaniel had Mouton (weliswaar geen eerste cru) 15 jaar daarvoor gekocht voor slechts iets meer dan 1,1 miljoen franc. Twee jaar later werd Mouton niet als premier cru geklasseerd, waarvoor waarschijnlijk een goede reden was, want er is op of met Mouton tot begin jaren ‘20 van deze eeuw weinig voorgevallen.

Mouton wordt terecht geassocieerd met Baron Philippe Rothschild, een man met een ontembare energie en een vooruitziende blik. In 1922, toen hij nog maar 20 jaar was, werd hij belast met de leiding over het enigszins verwaarloosde familiebezit. Hij voerde er een reeks drastische moderniseringen door, die varieerden van verplichte chateaubotteling tot ‘design labels’. Het eerste, zeer originele en stijlvolle etiket was van de kunstenaar Carlu, dat 20 jaar later werd opgevolgd door de bekendere naoorlogse etiketten. (Men realiseert zich vaak niet dat de Bordeaux meestal in houten vaten werd vervoerd naar Engeland, de Lage Landen en Scandinavië, om daar te worden gebotteld: zelfs eerste crus als châteaux Margaux en Cheval Blanc werden anno 1952 en 1962 nog in Engeland gebotteld door respectabele wijnhandelaren.) Maar het was Baron Philippes grote ambitie, waar zijn neven Rothschild fel tegen waren gekant, om van Mouton een premier cru te maken, een ambitie die in 1973 eindelijk werd gerealiseerd. Al jaren daarvoor had Mouton in dezelfde (prijs)klasse gezeten als zijn grote rivaal Lafite.

Het chateau zelf is een bescheiden 19e-eeuws huis dat wordt omringd door bomen en aan drie kanten als het ware wordt beschut door chais. De eerstejaarskelder biedt een spectaculaire aanblik met zijn lange, strakke rijen vaten waarlangs de blik afdwaalt naar het wapenschild aan de muur aan het andere eind van de kelder. Uniek voor Mouton, voor heel Bordeaux zelfs, is het museum dat in de loop der jaren met liefde en zorg is opgezet door Baron Philippe en zijn geliefde Amerikaanse vrouw Pauline. De zeldzame collectie objecten is gewijd aan thema’s die aan wijn gerelateerd zijn, en werd uiterst smaakvol uitgestald en verlicht. Ik moet hier misschien bij zeggen dat hoewel er een bezoekerscentrum is, de toegang tot kelders en vooral museum beperkt is. Correspondentie of in elk geval een telefoontje van tevoren is aan te raden.

Mouton, de wijn: de eerste associatie hierbij is ‘dramatisch’. Wordt Pauillac beschouwd als de thuisbasis van de cabernet sauvignon, in Mouton bereikt de druif een hemelhoge kwaliteit. Het percentage cabernet is hoog, en daarbij komt dat de wijn op splinternieuwe eiken vaten rijpt. Het resultaat is een bijna exotische en rijke kruidige smaak, waarvoor men bij mindere wijnen al gauw het woord ‘opzichtig’ in de mond zou nemen. In tegenstelling tot zijn buur Lafite is Mouton opener en nadrukkelijker en heeft een directe aantrekkingskracht die makkelijk te waarderen is en moeilijk te weerstaan. Toch is er ook kwaliteit, hoge kwaliteit, en pure schoonheid.

Latour, de laatste van het drietal eerste crus in Pauillac, en ouder dan Mouton, is weer volslagen anders van karakter en stijl. Zoals we al zagen is de geografische ligging van de wijngaard anders; het grenst aan St-Julien, ligt minder hoog, en als de druivenstokken konden zien, zouden ze een schitterend uitzicht hebben op de Gironde. Het chateau zelf is een fraai en aantrekkelijk, maar geenszins indrukwekkend 19e-eeuws huis, dat duidelijk door een Engelse binnen- huisarchitect is ingericht - het gevolg van het feit dat het vanaf 1962 Brits eigendom was, tot het in 1993 aan een rijke Franse zakenman werd verkocht. Er zullen ongetwijfeld dingen veranderen. Het chateau is echter nooit bewoond geweest; het werd slechts door de eigenaars gebruikt wanneer zij het domein bezochten. Het was een eeuw lang eigendom van de familie Beaumont, gevolgd door de bedrijfsleiders van Pearsons en Harveys uit Bristol; door hen werd het gebruikt voor de ontvangst van vips. De tour van Latour is een mooie, ronde, vrijstaande toren van drie verdiepingen, met koepeldak. Het is meer een grote duiventil dan een versterkte wachttoren. Langs het korte kiezelpad staan de chais, persen en de roestvrij-stalen gistings- tanks. Deze tanks waren de eerste die in de Médoc werden gebruikt, wat destijds de nodige consternatie veroorzaakte. Het was 1963, en het werd toen als uitermate riskant beschouwd om iets anders te gebruiken dan de traditionele eiken kuipen. (Een wetenswaardigheid is dat op Chateau Margaux nog steeds houten kuipen voor de gisting worden gebruikt.) Het maken van wijn vereist ervaring en expertise. Maar dat is niet genoeg.om een goede wijn te maken. Zowel in de Nieuwe als in de Oude Wereld is men het erover eens dat het eerst en vooral de kwaliteit van de druiven is die telt.
Uitgaande van de elementaire kwaliteit en geschikt- heid van de cabernet en andere rassen is het in Bordeaux de wijngaard — de bodem en ondergrond, de ligging en afwatering — die de grote wijnen onderscheidt van de goede, en de goede van de middelmatige. Een simpel en onweerlegbaar feit is dat als dezelfde druiven zouden worden geplant op de rijke, laaggelegen weidegronden van de palus of op de ongeschikte bodem in het achterland, en ze zouden worden verwerkt door personeel van een premier-cru-wijnmakerij, dat nog geen behoorlijke, laat staan goede wijn zou opleveren. Kortom, wat Latour Latour maakt, is de ligging van de wijngaard en de kwaliteit van de druiven.

Hoeveel verschilt wijn van Latour van die van Lafite en Mouton? Om een opsomming te geven: Latour heeft een grotere kracht en een immens sterke continuïteit. De wijn heeft een diepe, vaak ondoorzichtige kleur en behoudt zijn levendige paars langer dan de meeste wijnen; hij zit vol fruit en alle essentiële bestanddelen, in het bijzonder tannine. Latour van een goed wijnjaar rijpt langzaam, heeft meer tijd op fles nodig. De jaren 1970 en 1961 zijn nu, midden jaren ‘90 nog steeds niet geheel gerijpt; de 1945 heeft nu zijn top bereikt en de '1928, een jaar met goede wijn vol tannine, heeft er letterlijk een halve eeuw over gedaan om drinkbaar te worden. Maar Latour is dankzij zijn goede afwatering ook bekend om zijn vermogen ook in rampzalige jaren opmerkelijk goede wijnen te produ-ceren.

Van de eerste crus over naar de twee bekendste tweede crus: de Pichons (beide zijn buren van Latour). Ik zal niet te lang uitweiden over de manier waarop de bezittingen van de familie Pichon-Longueville werden verdeeld; het volstaat hier te zeggen dat het deel van de Comtesse de Lalande uiteindelijk werd aangekocht door de familie Miailhe. Het is nu het eigendom van Mme May- Eliane de Lencquesaing, die nu voor in de zeventig is (en tot mijn grote vreugde werd opgenomen in het Légion d’Hon- neur) en die het bezit zelf enthousiast en met verve runt. Het chateau staat vol met originele 19de-eeuwse meubelen en is weelderig op een gezellige, doorleefde manier; de wijn lijkt het karakter van het chateau en zijn eigenares te weerspiegelen. Hij is fruitig en vol van smaak, consistent en aantrekkelijk.

Jarenlang overschaduwde Pichon-Lalande zijn rivaal, ooit tweelingbroer, waarvan het kille, onbewoonde met torentjes getooide chateau (dat wel iets aan Palmer doet denken) aan de overkant van de weg staat. Sinds het eigendom werd van AXA, de grootste verzekeringsmaatschappij van Frankrijk, en wordt beheerd door Jean-Michel Cazes van Lynch-Bages, is het een nieuw leven gaan leiden. Er is een indrukwekkende nieuwe wijnmakerij gebouwd, waarvan men in het voorbijgaan de grote kale muren nauwelijks kan missen. De wijn is er ongetwijfeld enorm op vooruitgegaan en heeft de afgelopen jaren Lalande geëvenaard of zelfs overtroffen. Concurrentie is gezond, zeggen ze, en May-Eliane is prima in staat zich staande te houden. Het is echter wel jammer dat Pichon-Longueville van AXA zijn additionele titel van Baron heeft laten vallen. Die was namelijk handig ter onderscheiding, maar gaf, geheel onbedoeld natuurlijk, de indruk dat Pichon-Lalande de tweede wijn of dochteronderneming van de vroegere baron is. Ik kan Mme de Lencquesaings bezwaren wel begrijpen, en ben het zelfs met haar eens, maar wijn vindt net als water zijn eigen niveau.

Jean-Michel Cazes brengt me op een van de bekendste en populairste van de 12 vijfde crus van Pauillac, Chateau Lynch-Bages. Het werd ooit de Mouton voor de armelui genoemd, vooral vanwege de prachtige smaak en het karakter van de caberbet sauvignon. Generaties lang was het de lievelingswijn van Britse Bordeaux- drinkers uit de hogere middenklasse - en een belangrijke bron van inkomsten voor de wijnhandelaren van de gegoede Britten: Lafite voor de adel, Lynch-Bages voor de welgestelden. Het chateau — dat echt het woonhuis van de familie is - en de wijngaarden liggen op aanzienlijke afstand van de grens met St- Julien, op het plateau boven het gehucht Bages. De grote, nieuwe, op maat gebouwde chai staat aan de hoofdweg die van Pauillac met flauwe bochten naar St-Laurent loopt en dan doorgaat als de N215, een rechte maar gevaarlijk snelle weg die rechtstreeks naar Bordeaux leidt.

Iets teruggelegen aan de andere kant van de weg, die eerst naar het westen loopt, ligt Grand-Puy-Lacoste, de meest ondergewaardeerde van de vijfde crus, ondanks het feit dat ze er sinds mensenheugenis de meest standvastig correcte Pauillac ‘volgens het boekje’ maken. Het is een wijn die misschien te weinig concessies doet om echt populair te zijn, maar in mijn ogen is het precies waar de Bordeauxdrinker van houdt. Het chateau zelf is mooi; de achterste helft is helemaal ingesteld op het huiselijk leven van Xavier, een van Jean-Eugène Bories zoons en diens gezin. Niet ver hier vandaan, wat verder richting St-Laurent, ligt nog een wijngaard van een Borie, Haut-Batailley, en daarachter, nog net niet in St-Julien, ligt zijn tweelingbroer Batailley. De wijn van Haut-Batailley heeft een onderschatte charme en élégance; Batailley is zachter, voller en consistent rond en fruitig, maar minder verfijnd. Zoals je uit de namen kunt opmaken, vormden ze vroeger één wijngaard. Het chateau zelf is eigendom van Batailley: een vrij groot en behoorlijk welvarend uitziend huis, dat qua stijl een weerspiegeling vormt van de betrouwbare en conventionele wijn die het produceert.

Van de andere Pauillacs - allemaal in mindere of meerdere mate aantrekkelijk en met karakter - moet de vijfde cru van buurwijngaard Mouton, oorspronkelijk d’Ar- mailhacq genoemd, worden vermeld. Nadat het in 1933 van eigenaar was gewisseld, veranderde de naam in Mouton Baron Philippe; en later Baronne Philippe, als een ode aan zijn vrouw. Na de dood van zijn geliefde Pauline wilde baron Philippe de naam weer veranderen, en wel in Mouton Baronne Pauline, maar kon worden overgehaald dit niet te doen, vooral omdat het verwarrend zou zijn. De huidige eigenaar, Philippes dochter, barones Philippine de Roth- schild, heeft de naam weer terugveranderd, maar nu met een kleine vereenvoudiging in de spelling: Chateau d’Ar- mailhac. Wat zijn naam ook moge zijn geweest, het is altijd een charmante wijn geweest, licht van stij 1 en zeer naar de zin van Baron Philippe, die hem persoonlijk vaak prefereerde boven zijn enigszins lijviger en duidelijk opulentere Mouton- Rothschild.

Nog een groot en belangrijk domein is Pontet-Canet, een naaste buur van Mouton, die de hoogste croupe in de regio bezet. Het ligt zo’n 30 meter boven het niveau van de Gironde. Dit was generaties lang een van de bekendste en populairste Médocs die vanouds naar Engeland werden verscheept. Eigenares is de eens zo machtige familie Cruse, de handelskoningen te Bordeaux. De wijn werd nooit op het chateau gebotteld, maar altijd in de op een doolhof gelijkende kelders in Bordeaux, die vanaf de traditioneel nauwe ingang aan de Quai des Chartrons nog een eind onder de grond door liepen. Eerlijk gezegd heeft de wijn een lange teleurstellende periode gekend, maar het chateau, al enige tijd bezit van de familie Tesseron (Guy Tesseron is de schoonzoon van Cruse), produceert nu weer wijn die recht doet aan de fantastische ligging van de wijngaard. Bij gebrek aan ruimte kan ik niet alle châteaux vermelden die Hubrecht Duijker in de geografische index van Pauillac opnoemt, maar ze zijn allemaal een bezoek meer dan waard. Als Bordeaux het Mekka is voor wijnliefhebbers, dan moet het heiligste der heiligen Pauillac zijn, met zijn drie premier-cru-tempels; de pelgrim heeft onderweg natuurlijk eerst Margaux aangedaan en geknield bij het eerwaarde Haut-Brion. Maar over die laatste later meer.

Wijnjaren
Als Lafite de jaren overheerst die de tand des tijds hebben weerstaan, vooral de jaren met hoge waterstanden in de 19e eeuw, dan is dat te danken aan de kwaliteit van de wijn en aan de mode. Te oordelen naar de catalogi in de archieven van Christie’s - een unieke collectie veilingcatalogi van 1766 tot heden - bleef Lafite toch wel de voorkeur genieten; Latour en Mouton werden nauwelijks genoemd. Dus de goede wijnjaren worden bijna uitsluitend vertegenwoor- digd door Lafite. Een opsomming ziet er als volgt uit: de 1822, wordt de beste van de eeuw genoemd (helaas niet geproefd), de 1825, 1844, 1846 en 1848 — waarvan de laatste twee verbazend genoeg nog steeds diep, rijk en heerlijk smaken - de 1858 is nu over z’n top heen, de 1864 kan met de 1811 wedijveren qua reputatie en is nog steeds geweldig, de 1865 en 1870 zijn beide nog steeds opmerkelijk betrouwbaar, met veel body en perfecte harmonie; de exquise 1875, die te licht voor de Engelse markt werd bevonden maar die nog buitengewoon goed is, en als laatste de 1899, de eerste van de ‘hemelse tweeling’ en delicater en vrouwelijker dan de zware 1900.

De Lafites uit 1920, 1924 en 1926 waren fantastisch, en dat kunnen ze nog steeds zijn, maar de andere beroemde tweelingjaren, de 1928 en 1929, zijn behoorlijk onder de maat. Net als alle andere top-Bordeaux was de 1945 schitterend, en is op z’n best nog steeds heerlijk; de 1947 en 1949 zijn uitstekend, maar nu wisselvallig; de 1953 is prachtig (mijn favoriete Lafite) en de 1959 schitterend - beter dan de veelgeprezen 1961. Indejaren’70zijner enkele zeer teleurstellende wijnen gemaakt, maar in de jaren ’80 is dat weer ten goede gekeerd met een voortreffelijke 1985 en 1989. Zoals reeds gezegd, werd Mouton in de 19e eeuw veel minder frequent genoemd, ofschoon ik een goede 1858 en 1869 heb geproefd en een prachtige 1870. Mouton bloeide pas echt op onder Baron Philippe, en zijn 1924 en vooral de 1929 waren uit de kunst. Dertig jaar geleden was een Jéroboam Mouton 1929 de eerste grote ster van de veilingzaal. Dat jaar kan nog steeds voor veel genot zorgen. Maar de grootste van alle Moutons is ongetwijfeld de onvergelijkelijke 1945, die in schoonheid, diepte van kleur, weelderig bouquet en glorieuze volle smaak (en prijs) zijn gelijke niet kent. De 1947 is erg goed, de 1949 heel fijntjes: het is de favoriet van Baron Philippe; de 1952 is een van de beste, de 1953 uitstekend, de 1959 schitterend, net als de 1961. In de jaren ’60 en '70 was Mouton consistenter dan Lafite en maakte, net als de anderen, ook in de jaren ’80 prachtige wijn, waarvan die uit 1986 de beste wijn van het jaar is.

Latour werd ondanks het feit dat hij lang moet rijpen en zeer lang opgelegd kan worden, nooit zo hoog aangeschreven als Lafite, en oude jaren zijn moeilijk te vinden. Van de pre-phylloxera-wijnjaren die ik heb geproefd, springt de 1865 eruit, evenals de 1870 en de 1875. De 1899 was uitstekend, de 1900 zou het moeten zijn; maar de topjaren waren toch wel de jaren ’20: 1920, 1924, 1926, 1928 - een monumentale wijn - en 1929 hebben allemaal eersteklas wijn voortgebracht. De 1934 wasgoed, de 1945 geweldig, een van de beste en nu perfect op dronk, de 1947 en 1949 goed, de 1952 en 1955 erg goed - nog beter zelfs dan de 1953. De Latour uit 1959 is massief, net als die uit 1961,1966,1970 (beter dan Lafite of Mouton) en wordt in de jaren ’70 consistenter van kwaliteit. Recente jaren brachten goede wijnen voort, maar nog maar weinigen zijn op dronk.

Van de andere Pauiilac crus classés was de Pontet- Canet een van de mooiste uit 1929, in de jaren ’50 en ’60 was Lynch-Bages aantrekkelijk en succesvol (en is het sinds die tijd gebleven); Grand-Puy-Lacoste was zoals verwacht voortreffelijk in 1945, 1949, 1953. De 1959 en 1961 komen traag tot ontwikkeling, en zijn nog vol beloftes - net als de archetypische 1966. Pichon-Lalande is een wijn om van te genieten; vooral de 1966 en verassend genoeg zijn zelfs de recente jaren fantastisch van smaak dankzij hun zacht fruitige karakter.

Goed beschouwd is het een kwestie van elke wijn de tijd geven die hij nodig heeft: eerste crus om lang te bewaren voor een veelbelovende toekomst, de tweede, vierde en vijfde crus van Pauiilac om 10 tot 20 goed te houden, afhankelijk van het wijnjaar.

Grote Pauillac-jaren: 1811, 1825, 1844, 1846, 1848, 1858, 1864, 1865, 1870, 1875, 1893, 1899, 1900, 1920, 1924, 1926, 1928, 1929, 1945, 1947, 1949, 1953, 1959, 1961, 1982, 1985,1989,1990.