Pessac-Léognan betekenis & definitie

Graves is de wieg van de Bordeaux-wijn. Er werd hier al wijn gemaakt toen de Médoc nog een moeras was. Het is een groot gebied dat zich - althans op de kaart met appellations — rond het noordelijke uiteinde van de stad krult en in het westen langs de luchthaven Mérignac naar beneden loopt. Mérignac vormt tegenwoordig de belangrijkste toegang tot het departement Gironde - afgezien van de snelle autoroutes of de TGV’s. Vroeger was de zee natuurlijk eeuwenlang de toegangspoort.

Daarna, voorbij de buitenwijken van Bordeaux, strekt de Graves zich uit over een weids, golvend landschap: ondiepe valleien in plaats van heuvels, behoorlijk wat bos en ontelbare kleine gehuchten (waarvan er maar weinige enige pretenties hebben qua schoonheid of belang). Uiteindelijk krult het nog een keer, nu om de zoete-wijndistricten van Cérons, Barsac en Sautprnes. Deze districten buiten be¬schouwing gelaten vormt de Garonne de oostgrens van dit gebied, van net ten zuiden van Langon tot de waterkant in Bordeaux zelf.

Het voornaamste punt waarop de Graves van de Médoc, Pomerol en St-Emilion verschilt, is dat er zowel rode als witte wijn wordt gemaakt. Ongeveer een derde van de Graves, het noordelijke gedeelte, produceert de beste wijn. Daarom hebben de twee gemeenten of parochies Pessac en Léognan in 1987 hun eigen appellation Pessac-Léognan in het leven geroepen. Deze herkomstbenaming omvat Talence (dat net als Pessac tussen de buitenwijken van Bordeaux ligt), Villenave-d’Ornon, Mérignac en Gradignan (die maar weinig wijnstokken hebben) en het iets belangrijkere Martillac. De gemeenten St-Médard-d’Eyrans en Cadaujac aan de oostkant maken de lijst compleet. Waarmee vaak de rest, het zuidelijke gedeelte van de Graves, over het hoofd wordt gezien.

Een rondreis door het district
Neem vanaf het centrum van Bordeaux de hoofdweg in zuidwestelijke richting naar Arcachon, steek de binnenste rondweg over en rij verder naar het westen door een druk, nogal lelijk stadsdeel. De hoofdweg klimt nauwelijks merk¬baar tot het zo onderhand geoefende oog aan de rechterkant een onmiskenbare croupe ontwaart: een blootliggende, sensuele, met wijnstokken begroeide welving in het land¬schap. We zijn aangekomen in Pessac — in het hart van de buitenwijken van Bordeaux. De wijngaard behoort toe aan Haut-Brion.

Haut-Brion en La Mission
Eerst Haut-Brion. Het chateau zelf ligt, zoals ook het wijnetiket toont, in een kom, bijna onzichtbaar vanaf de hoofdweg. Net zo bijzonder is de andere belangrijke wijn¬gaard van de Graves, La Mission-Haut-Brion, die aan de overkant van dezelfde weg ligt, maar bij de buurgemeente Talence hoort. Het nogal onaandoenlijke chateau, met aan één kant een kapel, is door de hoge ijzeren hekken duidelijk te zien.

Ik zou aan elk van deze chateaux een hoofdstuk kunnen wijden - Haut-Brion is historisch en architectonisch bijzonder interessant. Maar wat zo excentriek overkomt - twee gerenommeerde wijngaarden in een volgebouwde buitenwijk - is niet altijd zo geweest. De stad is eenvoudig uitgedijd, zoals alle steden doen, een ontwikkeling waaraan verschillende andere wijngaarden ten prooi zijn gevallen. Deze twee wijngaarden alsmede Chateau Pape Clément, verderop langs de weg, hebben tussen de huizenblokken, winkelgebieden en de universiteitscampus stand gehouden. Pape Clément kan zelfs bogen op een nog langere geschiedenis. Deze wijngaard werd al vroeg in de 14e eeuw geplant.

Zowel het chateau Haut-Brion als de roem van de wijn dateert van de 16e eeuw. In de 17e eeuw nam de reputatie van de wijn vaste vormen aan door toedoen van de welgestelde en zeer ondernemende familie Pontac; deze had in de binnenstad van Londen zelfs hun eigen taveerne met de iets verengelste naam ‘Pontac’s Head’. In die tijd werd wijn gewoon als wijn verkocht; praktisch de enige wijngaard waarvan de naam ooit werd opgetekend was Haut-Brion, die bekend werd bij de latere lezers van Samuel Pepys toen deze op 10 april 1663 de onsterfelijke woorden in zijn dagboek schreef: ‘...naar de taveerne Royall Oake in Lumbard Street, en dronk daar een soort Franse wijn die Ho Bryan heette en een goede en de meest uitgelezen smaak had die ik ooit heb geproefd.’ Een eeuw later schreef Thomas Jefferson in mei van het jaar 1788 vanuit Parijs aan zijn agent John Bondfield in Bordeaux: ‘Ik wil je ook vragen om van Monsieur le Comte de Fumelle 125 flessen vin d’Haute-Brion uit 1784 te kopen.’ Bondfield antwoordde: ‘De Comte heeft maar vier oks- hoofden [vaten] 1784 in voorraad. Ik heb hem zeshonderd pond voor één okshoofd geboden, wat hij heeft afgeslagen. Hij heeft me de eerste twee kisten beloofd van het eerste dat gebotteld wordt. Het gaat te ver om in Bordeaux drie pond te betalen voor een fles Bordeaux-wijn, maar de vraag naar dat jaar is dermate groot dat de eigenaars die prijs ervoor krijgen...’ Er verandert ook nooit iets.

De volgende mijlpaal was de classificatie van 1855: Haut-Brion was het enige chateau buiten de Médoc dat eronder viel. Het werd geclassificeerd als premier cru. Vreemd genoeg is het na Pepys in Engeland nooit buitengewoon populair geweest en heeft het nooit kunnen tippen aan Lafite en Chateau Margaux. Dat zeg ik omdat het een wijn met een zeer eigen stijl en smaak was én omdat Engelse wijn- handelaren en hun gegoede clientèle in de 19e eeuw het heel behoudend liever bij hun favoriete en vertrouwde Médocs hielden. De oudere wijnjaren van Haut-Brion hebben de tijd niet zo goed doorstaan, hoewel ik me een geweldige 1926 kan herinneren die uit de kelders van de familie Dillon afkomstig was. De 1928 en 1929 zijn erg vreemd, ze smaken belegen en uit hun krachten gegroeid. Het was een slechte periode en in 1935 kwamen de Dillons, een Amerikaanse bankiersfamilie, te hulp door de bezitting te kopen. Tien jaar later produceerde Haut-Brion een prachtige 1945, gevolgd door een reeks consistente, goed gemaakte wijnen.

La Mission Haut-Brion is weer terug bij af. Tot vroeg in de 17e eeuw maakte het deel uit van het landgoed Haut- Brion. In die periode werd het door een lid van de familie nagelaten aan een priesterorde, die aan het eind van die eeuw een kapel bouwde en die opdroeg aan Notre Dame de La Mission. Gedurende de tweede helft van de 19e eeuw werden het huis en de kapel op een nogal fantasieloze en logge manier gerestaureerd. Ondertussen bleef men zeer res¬pectabele wijnen produceren. In 1918 kwam het landgoed in handen van Frederic Woltner. Zijn twee zoons, Henri en Fernand, namen het in 1921 van hem over. In de halve eeuw die daarop volgde, verbeterden zij de stijl en kwaliteit tot de wijn onherkenbaar was veranderd. De wijn uit 1928 en vooral die uit 1929 was fantastisch, net als de prachtige naoorlogse jaren, vooral 1945, 1947, de voortreffelijke 1949, 1952 (een van de beste rode Bordeaux van dat jaar), 1953; daarna 1955 en 1959, beide geweldig, en 1961, een immens indrukwekkend jaar.

De twee briljante en vernieuwingsgezinde broers stierven halverwege de jaren ‘70, waarna Fernands dochter en schoonzoon het beheer overnamen. In 1983 verkochten ze het wijngoed. Gelukkig niet aan een verzekerings-maatschappij of de een of andere gigant, maar aan de Dillons van het landgoed naast het hunne. Eventuele bezorgdheid dat La Mission misschien een soort tweederangs Haut-Brion zou worden was snel verdwenen; de uitzonderlijk sterke bodem, de net iets andere ligging van de wijngaard (en niet te vergeten de spoorlijn die aan de zuidflank al ruim een eeuw voor een perfecte afwatering zorgt) dragen bij tot de productie van een wijn met een geheel eigen karakter.
Wat, zal men zich afvragen, is dan het verschil tussen wijn van Haut-Brion en die van La Mission? Gedurende de laatste jaren dat de Woltners er de scepter zwaaiden, helde de heersende opinie, of liever gezegd smaak, over naar La Mission, iets wat veel stof deed opwaaien en werd geventileerd in het tijdschrift Decanter. Hoewel ik La Mission wel waardeer, ben ik van mening dat hij gespierder smaakt dan Haut-Brion. De laatste dankt zijn eerste-cru- status vooral aan zijn finesse, harmonie, subtiliteit, lengte, alsmede zijn élégance en constante kwaliteit. Een goede La Mission is opvallend diep van kleur, vol van smaak, intens, mannelijker; soms een tikje te agressief, grenzend aan het wilde, met een flinke dosis vluchtige zuren in overigens uitstekend jaren zoals 1970.

Wat de wijnen van deze twee chateaux gemeen hebben, zijn zeer duidelijke aardetonen, een eigenaardige tabakachtige smaak en afdronk. Nog iets dat ze gemeen hebben, is dat ze net als de meeste andere en mindere chateaux in de Graves witte wijn maken. Beide zijn uitstekend, droog en kunnen, ja, moeten zelfs een tijd op fles rijpen. Haut-Brion blanc heeft een goede reputatie. Daardoor en door de geringe omvang van de productie is hij zeer schaars en duur. Mijn persoonlijke voorkeur gaat uit naar de witte wijn van La Mission. Deze wijn, Laville Haut-Brion, komt van een wijngaard van 6 hectare (twee keer zo groot als de wijngaard voor witte wijn van Haut-Brion) en is sinds 1928 een eersteklas witte Bordeaux. De eerste naoorlogse wijnjaren zijn nog steeds in vorm: de crème de tête uit 1945 met zijn gouden glans en bouquet van oranjebloesem is weelderig, rijk maar zeer droog; de 1947 goed; 1949 geurig; dan volgen enkele prima wijnen uit de jaren ‘60 en ‘70 - vooral de onvergetelijke 1971. Van de recentere jaren is de Laville uit 1989 een van de beste witte wijnen die ik heb mogen proeven. En last hut not least, Haut-Brion en La Mission hebben nog iets dat ze delen, namelijk een van de meest competente en gerespecteerde technisch directeuren: ‘de koning van het klonen’, Jean-Bernard Delmas.

Andere Chateaux
Over Haut-Brion en La Mission raak je niet uitgepraat. Pape Clément, dat ik al even heb genoemd, heeft enkele teleurstellende jaren gekend, wat in populair taalgebruik under-performing heet. Ofschoon ik niet te lang bij de eigenaren wil stilstaan, hebben de huidige eigenaren grote vooruitgang geboekt. De huidige bedrijfsleider Bernard Pujol, die in 1985 werd aangesteld, is verantwoordelijk voor de productie van wijn die zijn rijke en voorname verleden eer aandoet en waar men de voortreffelijke, enigszins verheven ligging van de wijngaard in kan proeven. Rijd door tot Haut- Brion en langs Pape Clément, en je komt bij Gradignan aan. Rijd daarna door naar het zuiden, naar de andere helft van de appellation, Léognan.

Léognan zelf heeft absoluut geen spectaculair voorkomen; het is een gebied van bos en kleine, eenvoudige dorpen. Een beetje warrig maar niet onaantrekkelijk. Even verderop ligt een van de juwelen van het district (zelfs van heel Bordeaux), Domaine de Chevalier. Dit bescheiden één verdieping tellende chateau staat aan het einde van een oprijlaan die wordt geflankeerd door wijnstokken. Hier geen hellingen, maar een goede diepe grindbodem. Claude Richard, een kunstenaar (of liever een begaafd pianist), heeft dit domein op de kaart gezet door rode en witte wijn van een sublieme élégance te produceren. Toen gebeurde er iets wat wel vaker voorkomt: enkele familieleden wilden zich uit het bedrijf terugtrekken. Dit resulteerde in de verkoop van het domein. De nieuwe eigenaar, Olivier Bernard, heeft grote investeringen gedaan, de wijngaard uitgebreid en een indrukwekkende nieuwe cuvier gebouwd met een batterij roestvrij-stalen tanks. Daar¬door heeft Chevalier als wijnmakerij enigszins aan am¬bachtelijkheid en exclusiviteit ingeboet, maar de vrién¬delijke en enthousiaste Bernard, die Claude Ricard wijselijk als adjunct heeft aangehouden, streeft diens idealen met grote vastberadenheid na.

Een andere Graves die ik kan waarderen, is Chateau Haut-Bailly (niet te verwarren met Haut-Batailley in Pauillac). Ik herinner me een diner in Londen ter gelegen¬heid van de 90e verjaardag van André Simon, de stichter van de Wine and Food Society in Engeland, waarbij de toen 100 jaar oude Haut-Bailly uit magnums werd geschonken. Het typeerde André dat hij de gasten vertelde dat de wijngaard van Chateau Haut-Bailly in 1877 niet alleen groter dan nu was, maar tevens een gouden medaille kreeg uitgereikt voor de best beheerde bezitting in het hele departement Gironde. Er wordt alleen rode wijn gemaakt, wat vrij ongewoon is voor Graves. De wijn is zacht, ietwat aards, met een subtiel fruitige stijl, die zich vroeg ontwikkelt, maar bij het rijpen behouden blijft. Smith Haut Lafitte gaat er nog eens flink tegenaan; er is door de onstuimige en enthousiaste Cathiards een fortuin in wijngaard, chai en chateau geïnvesteerd. Ze maken een trendy tintelende, verfrissende, droge witte wijn, waarin sauvignon blanc overheersend aanwezig is en de kruidige, kruidnagelachtige smaak van dure, nieuw eiken vaten duidelijk te proeven is; ze maken ook een fruitige, slankere, maar elegante rode wijn.

Als om het weinig opwindende landschap te compenseren heeft de Graves een verrassend groot aantal mooie en historische chateaux, waarvan het beste wijnchateau Carbonnieux is, het 14e-eeuwse met torentjes getooide chateau dat sterk op Yquem lijkt, maar niet zo prominent gesitueerd is. Hier maakt de familie Perrin een makkelijk te drinken, snelrijpende rode wijn en een behoorlijke hoeveelheid lichte, verfrissende, droge witte wijn die in Franse restaurants erg in trek is. Wat mij eraan herinnert uw aandacht te vestigen op het grote voordeel — voor de eigenaren — van het feit dat de chateaux in de Graves zowel rode als witte wijn maken. De witte kan snel op de markt en bij de consument worden gebracht, wat zeer bruikbare inkomsten genereert. Dat komt de reeds wel¬gestelde familie Perrin goed uit; Carbonnieux is namelijk de grootste producent van droge witte wijn van alle crus classes van Bordeaux.

Van de twee historisch belangwekkende chateaux is het in de 11e eeuw gebouwde Olivier, met zijn gracht, oude fort en later gebouwde chateau, een architectonisch j uweeltj e. Hoewel het niet de geboorteplaats is van de Zwarte Prins, zoals sommigen beweren, was het wel in gebruik als koninklijk jachtverblijf; een aardig weetje is dat de zoon van de Zwarte Prins, de latere koning Richard II, in dit gebied werd geboren en in Bordeaux werd gedoopt. De wijnen van Olivier hebben het niveau van het chateau zelf nooit gehaald, hoewel zowel de rode als witte wijnen de laatste tijd sterk zijn verbeterd.

Het andere monument classique is La Bréde, ook met gracht: kalm, mooi, aangenaam en beroemd — de grote filosoof Montesquieu heeft hier gewoond, en het is nog steeds het bezit van zijn nakomelingen. De wijn die het chateau produceert is echter niet bijzonder. Andere vaardig gemaakte rode en witte wijn worden geproduceerd op Bouscaut, Couhins-Lurton, Malartic-Lagravière en de Fieuzal - een chateau met een wijn die aanzienlijk verbeterd is door Denis Dubourbieu, de man die grote invloed heeft gehad op de productie van met name de witte wijn in Bordeaux. Malartic- Lagravière en de Fieuzal zijn dicht bij Chevalier ten zuidoosten van Pessac-Léognan gelegen. Ten oosten van Léognan liggen de chateaux Bouscaut en het wondermooie, indrukwek¬kende La Louvière, dat onder leiding van de huidige eigenaars, de alomtegenwoordige familie Lurton, voortreffelijke rode en witte wijnen maakt. Ten zuiden van het dorp Martillac liggen Chateau La Garde en La Tour Martillac, waarvan de witte wijn veel baat heeft gehad bij Dubourdieus invloed.

Zuidelijke Graves
Zoals de Haut-Médoc aan zijn noordelijke uiteinde de vrij grote vignoble van de (Bas-)Médoc met zijn goede maar veelal onopvallende wijn heeft, zo omvat het grote (maar kwalititatief mindere) deel van de Graves - dat zich tot zo’n 40 kilometer ten zuiden van de grens van Pessac-Léognan uitstrekt - talloze dorpen en wijngaarden waar wijn van uiteenlopende kwaliteit uit de persen stroomt. De voornaamste verschillen zijn dat zuidelijke Graves zowel witte als rode wijn maakt, en dat het zich om het uiterst belangrijke zoete-wijndistrict Sauternes krult. Deze appellation wordt in een apart hoofdstuk behandeld (zie pagina 170).

Tot de meer eminente, interessante en betrouwbare chateaux in de Graves behoren: d’Archambeau van Jean- Philippe Dubourdieu, Cabannieux (niet te verwarren met Carbonnieux), Chantegrive, Cheret-Pitres, Ferrande; La Grave en Landiras, beide gerund door de vernieuwings¬gezinde wijnmaker Peter Vinding-Diers, die uit louter sémillon een interessante droge witte wijn maakt op Chateau Landiras, waar hij woont; Magence, Millet; Montalivet (gezamenlijk eigendom van Dubourdieu en Pierre Coste, nog zo’n geweldig invloedrijke wijnmaker); en, last but not least, Rahoul en Respide.

Ik wil mijn verhaal afronden met de opmerking dat de druivenstokken van Pessac-Léognan (afgezien van die der beste crus classés) slechts een generatie geleden nog vrij miezerige wijn voortbrachten: onopvallende rode en vreselijk koppige en onaantrekkelijke witte. De witte wijn was berucht om zijn te gele kleur, zware zwavelgeur en zijn saaie, flauwe smaak waaraan elke pit ontbrak. Gedurende de afgelopen 10-15 jaar is er duidelijk veel verbeterd - deels als gevolg van kritiek van buitenaf, maar waarschijnlijk voornamelijk door de goede invloed en voorbeelden van een handjevol in de oenologie doorknede wijnbouwers, vooral de eerdergenoemden. De rode wijn biedt verreweg de beste waar voor uw geld. Een tip: als je in restaurants in Bordeaux of Parijs schrikt van de hoge prijzen, kun je het best een van de mindere rode Graves kopen. Daar zitten twee voordelen aan: ze hebben onbekende en minder chic klinkende namen, met navenante prijzen, en om een of andere redenen komen ze vroeg tot ontwikkeling; je kunt ze vaak al na drie of vier jaar drinken.

Wat de witte wijnen betreft, die zijn tot leven gekomen dankzij de veeleisende markt en zeker door de intelligentere benadering van de hedendaagse wijnpro¬ductie: schonere druiven, koudere gisting en het vermijden van oxidatie. Als ik negatieve kritiek heb, is het dat de producenten zich te sterk op de sauvignon blanc hebben gericht (daarmee maken ze een stevige, zurige wijn van internationale allure, waarvan de populariteit even mak¬kelijk kan afylakken als de oude geoxideerde Graves in smaak vervlakten) en dat ze overmatig nieuwe eiken vaten gebruiken. Naar mijn mening vormt sauvignon blanc met nieuw eiken geen ideale combinatie.