St-Julien betekenis & definitie

Zolang ik me al interesseer in Bordeaux (dat wil zeggen zolang ik werk) heb ik St-Julien, het district en zijn wijnen, beschouwd als het middelpunt, het thuis van het oertype rode Bordeaux. Geografisch en stilistisch gezien neemt deze wijn in de Médoc een middenpositie in.

Meer naar het zuiden ligt ‘groot-Margaux’ met zijn diffuse gamma aan wijnen, die op hun best vrouwelijk van karakter zijn. Ten zuiden van St-Julien ligt het kleine, compacte Pauillac met zijn intense, diep gekleurde wijnen. Nog iets verder bevindt zich het meest noordelijke en uitgestrektere district St-Estèphe met zijn ongepolijste - ik zou bijna zeggen rouw- douwerige — rode wijnen. Bovendien mogen de wijnen van St-Julien nooit worden verward met de Pomerols van de rechteroever en de zoetere, sterkere St-Emilions. De wijnen van St-Julien zijn beschaafd en ietwat ingehouden. En als om te bewijzen dat ze niet hoeven op te scheppen, is er in dit district geen enkele premier cru te vinden; maar er is in de hele Médoc geen district te vinden dat zo veel crus classés voortbrengt.

St-Julie: wijnen en factoren
Hoe kun je kleur, geur en smaak van een typische St-Julien (als er tenminste zoiets bestaat) in woorden vatten? Welke factoren maken hem tot wat hij is? Laten we eerst dat laatste onder de loep nemen. Qua klimaat verschilt St-Julien niet van de rest van de Médoc, hoewel er plaatselijk kleine verschillen in microklimaat kunnen zijn. De echte verschillen zitten in bodem, ondergrond, ligging en bovenal afwatering. De voornaamste groep wijngaarden ligt op een brede croupe, een ietwat hoger gelegen kiezelkruin waarvan het materiaal door de Garonne en de Dordogne is afgezet. De hellingen ervan en de jalles (smalle stroompjes) zorgen voor een perfecte afwatering, die wijnen met finesse oplevert. Verder van de rivier verwijderd is de bodem rijker, en daarmee ook de wijn die ervandaan komt - bijvoorbeeld de gulle, fruitige Gruaud-Larose. De keuze van de druivensoort is een kwestie van plaatselijke tradities en persoonlijke voorkeur, maar dit is in tegenstelling tot Pauillac niet zo’n uitgesproken en overwegend cabernet-sauvignongebied. Tot slot zijn er nog een aantal andere factoren die een rol spelen, zoals een goed financieel beleid, ervaren managers en expertise in de wijnproductie. Als ik dé St-Julien zou willen kenschetsen, zou hij de diepe kleur maar niet de dichte ondoorzichtigheid van een goede Pauillac of bijvoorbeeld een Pomerol hebben. Hij heeft een minder dik aroma en het bouquet is harmonieus, subtiel met misschien een vleugje hars. Hij heeft een uitgebalanceerde smaak, en hij is middelzwaar, met een fluwelen textuur, uitgebalanceerd fruit en een schone, droge afdronk. De perfecte drank, de perfecte rode wijn.

In mijn openingszinnen suggereerde ik een wijn met een stijl en karakter die uitschieters schuwt. Het is een minder opvallende, minder dramatische wijn dan bijvoorbeeld een Pauillac. De wijn heeft als doel harmonie, gewicht en lengte perfect te combineren. Niettemin zijn de beste St- Juliens, die van goede wijnjaren, echte ‘blijvers’. Belangrijk is dat St-Julien consistenter van stijl en betrouwbaarder van kwaliteit is dan wijnen van welk ander district ook. Ik herinner me nog goed de perfect uitgebalanceerde Léoville Las Cases 1900 uit de kelders van kasteel Glamis, die de prelude vormde op de magnum van de gevierde Lafite 1870, beide geschonken bij het diner dat voorafging aan de veiling bij Christie’s in 1971. Hij was zo goed dat we allemaal dachten dat hij de Lafite zou aftroeven. Dat gebeurde niet; de wijn boog elegant en vol respect, maar bekleedde met waardigheid zijn eigen positie. Terwijl Las Cases een rechte koers heeft gevaren, vooral onder het ferme bewind van Alain Delon en zijn vader, heeft Léoville Poyferré z’n ups en downs gehad. Vanaf halverwege de 19e eeuw stond deze wijn in hoog aanzien, met als hoogtepunt de schitterende jaargang 1929, die wordt gezien als een van de beste wijnen, zo niet de allerbeste van dat voortreffelijke jaar. Dit château bezit een van de mooiste St'Julien wijngaarden van de Médoc, en ik heb er alle vertrouwen in dat het onder nieuwe leiding zijn oude glorie zal herwinnen.

De reputatie van Léoville-Barton had in de jaren voor de eeuwwisseling veel van die van Poyferré. Gedurende het lange bewind van Ronald Barton, de grand seigneur van de Médoc, was de wijn over de hele linie van goede kwaliteit, maar in mijn ogen te onbuigzaam; niet echt streng, nog niet mannelijk, maar misschien ontbrak het aan enige flexibiliteit en charme. Ronalds neef Anthony, de nieuwe telg uit het geslacht der Bartons, heeft de nodige verbeteringen doorgevoerd, waardoor deze uiterst beschaafde wijn zijn oude driedelig muisgrijs heeft afgeschud en een bekoorlijker karakter heeft gekregen.

Het land en de châteaux
Het hart van St-Julien is een aaneengesloten blok van wijngaarden van 3,5 bij 4 kilometer, waarvan het noord-oostelijk deel wordt gedomineerd door de grote ommuurde wijngaard van Léoville Las Cases. De vriendelijk glooiende hellingen met wijnstokken bieden niet alleen een schitterend uitzicht op de Gironde, maar ook op de aanpalende Pauillac-bezitting, de premier cru château Latour; slechts een smalle beek, niet meer dan een sloot, scheidt de twee bezittingen. Over het geheel genomen zijn de châteaux hier eerder mooi dan groots. De meeste stralen de betrouwbaarheid en stijl uit van de wijn die er wordt gemaakt. De châteaux en hun wijngaarden hebben of een mooi uitzicht op de rivier - in het bijzonder Ducru-Beaucaillou en Beychevelle - of liggen wat afzijdig, een beetje naar het westen, midden in het district, zoals Talbot en aan de zuidkant daarvan Gruaud-Larose.

Beychevelle is het meest exquise château van de Médoc, misschien wel van heel Bordeaux. Het werd in 1757 in de chartreuse*stijl gebouwd. Het hoofdgebouw kent slechts een begane-grondverdieping, geflankeerd door paviljoens van twee verdiepingen hoog, met elk dwars daarop een zijvleugel, zodat het geheel een U-vorm heeft. De delicate bouw en verfijnde proporties worden slechts geëvenaard door het uitzicht over de Gironde. Ducru-Beaucaillou, waar de gerespecteerde Jean-Eugène Borie woont, ziet er onaandoenlijker en monumentaler uit; heeft eveneens een schitterend, weids uitzicht. Onder de vloer van het hoofdgebouw bevinden zich de kelders. (Ik vraag me altijd af hoe het moet zijn om daar te slapen, met de strelende geuren van de wijn die uit de sluimerende maar immer actieve barriques opstijgen. Je slaapt er vast uitstekend.)

Nog een mooi en intensief bewoond château is Langoa-Barton, het thuis van Anthony Barton. Anthony kan bogen op het feit dat zijn familie het château al sinds het begin van de 19e eeuw in bezit heeft; het is het enige grote château in de Médoc dat zo lang wordt bewoond door één en dezelfde familie, maar Anthony loopt er niet mee te koop. Zowel het huis als de tuin straalt een aristocratische sfeer uit, met die onbewuste élégance, kwaliteit en stijl van een statig landhuis in het klein. Verwarrend genoeg is Langoa ook de thuisbasis van de châteauloze wijn Léoville-Barton, die in de cuvier van Langoa wordt gemaakt. Even raadselachtig — als je niet weet dat het oorspronkelijke Léoville-bezit, eens het grootste van de Médoc, is opgesplitst - is het feit dat Léoville- Las-Cases en Léoville Poyferré geen echte châteaux hebben, maar alleen op chais, kelders voor de fusten en bescheiden kantoren kunnen bogen.

Gruaud-Larose en Talbot worden altijd als een duo gezien, gedeeltelijk door de oude banden met de familie Cordier, die eigenaar is geweest van beide châteaux. Beide bezittingen werden, en worden nog steeds, perfect onderhouden. Wijlen Jean Cordier bewoonde château Talbot, zijn vrouw woonde in een even mooi stadspand in Bordeaux. Ik herinner me nog dat ik beide châteaux ooit in de herfst bezocht en dat me opviel dat op beide een tuinman met een bezem in de hand geduldig bladeren van de keurige lanen veegde. Een heel andere wereld. Gruaud-Larose, dat niet wordt bewoond, maar voor festiviteiten wordt gebruikt, is een prachtig, klassiek ontworpen 18e-eeuws landhuis waarvan de fraai intact gebleven chais en kelders bij mijn laatste bezoek een grote vooraad oude wijnen herbergden. Van de andere grotere châteaux is Lagrange met z’n ongewone en vreemd grote, vierkante toren architectonisch nogal saai. Branaire (voorheen Branaire-Ducru en daarvoor Branaire-Duluc-Ducru) lijkt erop, maar is kleiner. Het staat binnen schootsafstand van Beychevelle en heeft jarenlang leeg gestaan; de nieuwe eigenaars concentreren zich, waarschijnlijk terecht, op het verbeteren van de wijn en de kelderfaciliteiten. château St-Pierre (Bontemps et Servaistre, om de rest van de oude naam erbij te geven) is een mooi, door een park omgeven landhuis.

Gloria, een van het relatief geringe aantal bourgeois châteaux, is de schepping van wijlen Henri Martin, een vooraanstaand persoon en voormalig manager van château Latour. Het is een doodeenvoudig uitziend gebouw dat verlangend over de wijngaarden uitkijkt naar het majes-tueuze Ducru-Beaucaillou. Net zo eenvoudig, onbeduidend zelfs, zijn de dorpen St-Julien en Beychevelle, die beiden aan de D2, de route du vin van de Médoc, liggen.

Wijnjaren
Naast de Léoville Las Cases van 1900 en de Poyferré van 1929 is de meest verfijnde St-Julien die ik ooit heb geproefd - eerst in 1971 in Londen en korter geleden op het château zelf - de Léoville-Barton van 1948, een wijn van een uitzonderlijke geurigheid, delicatesse en levendigheid, de beste van alle rode Bordeaux van dat jaar. Van de 45’ers vind ik Poyferré de beste, op de hielen gevolgd door Gruaud-Larose, die schittert in 1949 en 1953; beide zijn voortreffelijk. De St-Juliens van 1952 waren nogal straf, maar 1953 was het perfecte jaar voor Médoc: Las-Cases en Léoville-Barton waren toen op hun best; van de laatste is de 1959 werkelijk schitterend. 1961 was natuurlijk in heel Bordeaux een goed jaar, met Ducru-Beaucaillou en Gruaud-Larose, ondanks hun verschillende stijlen, als toppers, samen met Las Cases. 1962 (een ondergewaardeerd jaar) was in St-Julien geen onverdeeld succes - maar Las Cases was, alweer, eerste klas; 1964 was een minder goed jaar. In 1966 verging het St-Julien beter: de Léoville-Barton is een St-Julien volgens het boekje.

Het jaar 1970 — een vruchtbaar jaar waarin alle Bordeauxdruiven volledig hebben kunnen rijpen - was in St-Julien in eerste instantie uitstekend. Maar vervolgens ondergingen veel St-Juliens een langdurige rijping, die niet alle wijnen even glorieus hebben doorstaan. De 1970 van Ducru-Beaucaillou is daarop een opmerkelijke uitzondering: een voortreffelijke wijn die nu op zijn best is. De jaren ‘71, ‘72, ‘73 en ‘74 waren teleurstellend; zelfs tussen de alomgeprezen 75’ers zaten enkele missers - hoewel Gruaud-Larose wederom schitterde. De St-Juliens uit 1976 waren soepeler en hadden meer charme; die uit 1978 waren aantrekkelijk, maar zijn nu over hun top; de 79’ers hebben een onflatteus hoog tanninegehalte, zijn te streng en missen fruitigheid; 1981 was beter: Las Cases is de beste van het jaar; 1982 heeft (heel bijzonder voor St-Julien) rijke, ferme wijn voortgebracht.

St-Julien en het jaar 1983 vormen een bijna ideale combinatie: goed, eerlijk, bescheiden; de wijn laat zich nu goed drinken; in 1985 komt de wijn echter het best tot z’n recht - Gruaud-Larose, Léoville-Barton en Las-Cases zijn schitterend. De 1986 herinnert me tot op zekere hoogte aan de jaargang 1952; iets meer charme was mooi geweest, maar het is een veelbelovend jaar, al zou ik voor wijn met een lang en wellicht interessant leven mijn geld liever op de 1988 zetten. 1989 was het jaar van de wederopkomst van Léoville Poyferré dat, net als Léoville-Barton, Ducru en Gruaud-Larose, een heerlijk fruitige wijn produceerde. Het recentste, klassiek uitgebalanceerde jaar van St-Julien is 1990. Zoals altijd zal de tijd het leren.

Gepubliceerd op 30-03-2017