Geographisch

Geographisch-woordenboek

Gepubliceerd op 29-11-2021

Joden

betekenis & definitie

een beroemd volk, dat eerst den naam heeft gedragen van Hebreën of Hebreërs (naar Heber, een der voorzaten van Abraham). Later veranderde die naam in Israëlieten (naar Israël, den bijnaam van Jacob).

Eindelijk kwam met de Babylonische ballingschap (606 v. Chr.) de naam J. in zwang; Jood (duitsch Jude) wil zooveel zeggen als Judeèr (lat. Judaus); en doordien het koningrijk Juda zich het langst had staande gehouden, is ook de benaming J. sedert in zwang gebleven. Onder verwijzing naar het artikel HEBRECN, waar de vroegste geschiedenis der J. tot den dood van Salomon, en naar de artt. IsBAeL en JUDA, waar die geschiedenis tot den aanvang der Babylonische ballingschap in korte trekken is geschetst, vangen wij hier aan met den terugkeer der J. uit Babylonië, waar ze 70 jaren hadden doorgebracht. In 536 v. Chr. gaf Cyrus (in den bijbel Kores genaamd) aan een gedeelte der J. vergunning om naar Palestina terug te keeren, en (521—516 v. Chr.) werd de tempel te Jeruzalem weder opgebouwd. Eene tweede afdeeling der J. keerde omstr. 447 v. Chr. naar hun vaderland terug met vergunning van koning Arlaxerxes Longimanus (in den bijbel Arthahsasta); en onder den perzischen schepler leefden de J. ruim eene eeuw in ongestoorde rust. Door den ondergang van het perzische rijk, dat ten gevolge van de onherstelbare nederlaag in den slag van Gaugamela (331 v. Chr.) in handen viel van Alexander den Groote, kwamen de J. onder diens gezag; doch reeds kort na zijnen dood werden zij de onderdanen van Ptolemeus, koning van Egypte (520); vervolgens viel Judea in handen van Selcucus Nieator, koning van Syrië (300 v. Chr.); wel werd het 279 v. Chr. aan de egyptische kroon teruggegeven, doch kwam 203 v. Chr. weder onder het juk der Syrische koningen, die weldra het joodsche volk op allerlei wijze begonnen te verdrukken, en zelfs aan hunne godsdienstige overtuiging geweld aandeden. Vooral werd die toestand aanhoudend onuitstaanbaarder sedert 174 v. Chr. totdat eindelijk (169 v. Chr.) Judas Maccabeüs zich aan het hoofd van zijne vertrapte landgenooten stelde: onder aanvoering van hem en zijne broeders (de Maccabeën) kwamen de J. in opstand, wierpen het vreemde juk af, en vochten zich vrij. Verlost van de Syrische overheersching, en weder een onafhankelijk volk geworden, stelden zij het hoogste gezag erfelijk in handen van hunne bevrijders, en de Maccabeën regeerden over de J. van 166 tot 107 v. Chr. met den titel van hoogepriester, vervolgens als koning (van 107 tot 40 v. Chr.). Doch verdeeldheid onder de léden der koninklijke familie had reeds in 65 v. Chr. aan de Romeinen eene geschikte gelegenheid verschaft om zich in de zaken van Judea te mengen; en het dnurde niet lang of de romeinsche invloed begon zich meer en meer overwegend te doen gevoelen, totdat Herodes, door dien invloed gesteund, de dynastie der Maccabeën van den troon stiet (40 v. Chr.), en zelf koning van Judea werd. Bij zijnen dood (het jaar na Christus' geboorte) werd zijn rijk verdeeld onder zijne zonen, en gesplitst in4tetrarchkn (nl. Judea, Galilea, Batanea, Iturea); Archelous werd zijns vaders opvolger in Judea, met den titel van tetrarch of viervorst, doch na negen jaren als zoodanig geregeerd te hebben werd hij om zijne wreedheden afgezet, en zijne tetrarchie (waartoe ook Samaria en Idumea behoorden) bij Syrië ingelijfd, dat als wingewest bestuurd werd door een romeinsch procurator. Intusschen werd doorCaligula (anno 37) het tetrarchaat Judea hersteld, en Herodes-Agrippa daarmede begiftigd met den titel van koning', door keizer Claudius werd het grondgebied van Judea vergroot, zoodat het nagenoeg weder dezelfde uitgestrektheid erlangd bad als vroeger onder Herodes den Groote; doch reeds anno 44 stierf HerodesAgrippa, en Judea werd weder als wingewest van het romeinsche rijk behandeld. Een opstand der J„ in 66 uitgebarsten om het juk van Home af te werpen, eindigde in het jaar 70 met de verovering van Jeruzalem, dat na een moorddadig beleg van 7 maanden ingenomen werd door Titus, en honderdduizenden J. werden nu uit Palestina weggevoerd en in ballingschap verstrooid over alle landen. Doch reeds eene halve eeuw later (120) begonnen de J. nogmaals de worsteling om hunne onafhankelijkheid te herwinnen; de sluwe bedrieger Bar-Cochba gaf zich voor hunnen Messias uit, en werd als koning door hen uitgeroepen; doch na een tijd lang met veel voorspoed den strijd tegen de Romeinen te hebben gevoerd, zag bij eindelijk de oorlogskansen tegen zich keeren, en deze laatste worsteling der J., die 15 jaren geduurd had, eindigde in 135 onder keizer Adriaan met een allerverschrikkelijkst bloedbad; en toen, na de inname van Jeruzalem, BarCochba in zijne laatste vesting (Bether) door de overmacht der Romeinen was verpletterd, werden al de J. voor eeuwig uit Jeruzalem gebannen, en de strengste wetten tegen het Jodendom uitgevaardigd; van dat tijdstip dagteekent dus de vernietiging der J. als natie. Wel werd in het laatst der 2e eeuw hun toestand iets minder ondragelijk; doch met de invoering van het Christendom in het romeinsche rijk (330) brak een tijdperk voor hen aan van steeds toenemenden druk; de edicten en deconcilie-besluiten tegen de J. werden hoe langer hoe strenger, en 429 werd zelfs hun patriarchaat te Tiberias opgeheven. Na den ondergang van bet Weslersch-rom. rijk leefden de J. in Italië en Sicilië tamelijk ongemoeid, terwijl ze in het Byzantijnsche rijk aan veel verdrukking, in Frankrijk en Spanje in de 6e en 7e eeuw aan harde vervolgingen blootstonden. In het mahomedaansche Oosten genoten zij eene benijdenswaardige rust, en onder de moorsche dynastiën in Spanje namen zij sedert de 8e eeuw bestendig toe in aantal en in beschaving. Daarentegen hadden ze veel te lijden in Byzantium, vooral in het begin der 8e eeuw, even als later onder Basilius 11. Gelukkiger tijden beleefden de J. in Italië, inzonderheid in Sicilië; in 1493 echter werden er op bevel van Ferdinand den Katholieke omstreeks 100,000 uit Sicilië verdreven. In Frankrijk en in Engeland hadden ze groote vervolgiugen te verduren; uit laatstgenoemd land werden ze in 1290 verdreven, uit het zuiden van Frankrijk in 1395, In het Duitsche rijk waren de J. als zoogenaamde »kamerknechten” eigendom der keizers, die hen aan anderen verkochten naar welbehagen. De kruistochten, zoomede volksopstanden en verdrijvingen, brachten sedert de 12e eeuw groote jammeren over de J., voornamelijk 1348—50 tijdens de onder den naam van Zwarten dood heerschende pest, diezich uit Azië over Europa verbreidde, doch waarvan de J. als de oorzaak werden beschouwd, daar men hen betichtte vergif te hebben uitgestort in alle bronnen, putten, enz. Uit verscheidene rijkssteden, inzonderheid sedert de 15e eeuw, werden de J. voor goed gebannen. Ook in Zwitserland begonnen 1348 de vervolgingen; en in ettelijke kantons is de onverdraagzaamheid jegens de J. nog op den huidigen dag niet uit de wetgeving verdwenen. Van de in de 14e eeuw in Zwitserland vervolgde J. namen vele de wijk naar Polen en Litauen, waaraan de J. reeds vroeger rust gegund en bescherming verleend was, en waar ze sedert 1264 zelfs zekere voorrechten genoten. In Spanje bleven de J. tot omstreeks de 2e helft der 14e eeuw nagenoeg in het ongestoorde genot van hunne inderdaad belangrijke privilegiën; doch in 1492 verdreef Ferdinand de Katholieke zoowel de J. als de Mooren uit zijn rijk, welke maatregel ten aanzien van de J. ook op Sicilië werd toegepast (1493), gelijk reeds hierboven is aangestipt. Drie jaren later volgde Portugal het voorbeeld van het onverdraagzame Spanje, en moesten de J. ook dat land ontruimen (1495). In het begin der 16e eeuw waren in het westelijk gedeelte van Europa bijna geen J. meer te vinden; de meeste hielden zich nog op in Duitschland, Italië, Polen, Turkijë, en in Noord-Afrika. Uit de 15e eeuw dagteekende het gebruik, om, als de J. geduld werden, hun eene afzonderlijke wijk of buurt der stad te laten bewonen; terwijl men reeds in de 15e eeuw schier overal in het christelijk Europa als wet had voorgeschreven, dat de J., wanneer zij zich op straat vertoonden, door duidelijke merkteekenen als J. te herkennen moesten zijn aan hunne kleed eren: kortom verdrukking en vernedering, en niet het minst tevens afpersing en (uitzuiging, was schier overal het stelsel, dat ten aanzien van de J. door de regeeringen in praktijk werd gebracht. Geen wonder, terwijl de Inquisitie in de roomsch-katholieke landen vooral de J. niet spaarde, dat velen, om hun leven te redden, het Roomsch-catholicismus omhelsden, maar vervolgens, zoodra ze er slechts middel toe zagen, de vlucht namen naar een ander oord, waar ze buiten het bereik waren van dat geestelijk Schrikbewind. Vooral toen de Nederlanden het jak van Spanje hadden afgeschud, kwamen vele J. de wijk nemen naar ons vaderland, inzonderheid uit Spanje, en uit Portugal (vandaar de Portugeesche J.-gemeenten in ons land). Ook in Duitschland was de toestand der J. sedert de 16e eeuw allerbedroevendst geworden. Op verscheidene plaatsen in het geheel niet geduld, uit andere plaatsen verdreven, menigmaal zelfs (en tot schande der 19e eeuw herhalen zich nog tegenwoordig hier en daar in Duitschland zulke tooneelen) blootstaande aan volkstumnlten, aan plundering en mishandeling van een zwerm razend gepeupel, kon het wel niet anders of het herbergzame Nederland werd een gezegend toevluchtsoord ook voor de in Duitschland verdrukte J. (vandaar in ons land de Hoogduitsche J.-gemeenten). Toen het den J. in de 16e en 17e eeuw in Italië al te benauwd werd gemaakt door de Inquisitie en door de vervolgzucht der pausen, vonden ze'eefte toevlucht in Venetië, Padua, Florence, Pisa en Livornd, waar ze eene goede mate vdn vrijheid en bescherming vonden. In Duitschland, althans in sommige staten van Duitschland, begon voor de J. een tijd van minder verdrukking aan te breken, sinds sedert 1778 een Lessing, een Mendelssohn en een Dohm met nadrnk hnnne stem deden hooren in het belang der verdrukte J., en 1782 het oostenrijksche Tolerantieedict werd uitgevaardigd. In Frankrijk, waar de J. (sedert 1550 o. a. te Bayonne en te Bordeaux) geduld werden, gaf de omwenteling van 1789 aan de wereld het voorbeeld, dat J. evenveel aanspraak hebben op de réthten der menschheid als ieder ander, want in 1791 werd hun door de Constituante, op voorstel van Grégoire (zie dat art.), gelijkheid voor de wet met alle andere burgers toegekend. Dat voorbeeld is sedert door verscheidene gouvernementen nagevolgd. Ook in Nederland zijn de J. geheel geëmancipeerd; zooook in België, Engeland, Denemarken, Zweden en Noorwegen. Uit het eigenlijke Rusland door Nicolaas I verdreven, wonen de J. echter onder den russischen schepter in Koerland, de Krim, rnss. Georgië, Caucasiê, en vooral talrijk in de voormalige poolsche landstreken. In Polen zijn gansche sleden en dorpen, die zoo goed als uitsluitend door J. bewoond worden. Sedert 1841 evenwel heeft het russische gouvernement herhaalde malen harde maatregelen tegen de J. genomen. Beter verzekerd is de toestand der J. in het Posensche en in Galictê, zoomede in Hongarije. In Weslfalen werd hun bet burgerrecht verleend in 1808; dat voorbeeld volgde 1808 Hessen, 1808 en 1811 Baden, 1809 Dessan en Waldeck, 1810 en 1811 Wurtemberg, Weimar, Meiningen en Frankfort, 1815 Mecklenburg en Beieren. Nagenoeg volkomene gelijkstelling in de burgerlijke en staatsburgerlijke rechten verkregen de J. 1812 in Pruisen. In Wurtemberg werd hun 1828 het volle burgerrecht verleend; in Keurhcssen werden de J. 1853 geëmancipeerd; ook in Saksen, Hanover en Brunswijk werd de toestand der J. aanmerkelijk verbeterd. In al de constitutiën en wetten, die uit de staatkundige beweging van 1848 in Duitschland geboren werden, waren de J. volkomen gelijk gesteld met alle andere inwoners der verschillende staten; die gelijkstelling is echter sedert de reactie weder (hier meer, daar minder) beperkt geworden. In Zwitserland begint eerst sedert de laatste jaren een geest van verdraagzaamheid jegens de J. veld te winnen. In Spanje worden ze weder geduld sedert 1837. In Amerika leven de J. als volkomen vrijë burgers in Suriname, Jamaica, Canada en in de VereenigdeStaten. De Geschiedenis der Joden in Nederland is beschreven door Koenen (Utrecht 1843); hun zielental in ons land kan geschat worden op het ronde cijfer van 60,000. Over den ganschen aardbol verspreid leven tegenwoordig omstreeks 5 millioen J„ waarvan ruim 3 millioen in Europa