Begijn betekenis & definitie

vrome bewoonster van een begijnhof, schijnheilige, zwartbonte koe

'De naamsoorsprong der Begijnen is sedert twee eeuwen een groot twistpunt', schreef een letterkundige in 1858 in De Navorscher. En dat is hij nog steeds.

Er is geen woord waarover zoveel is gediscussieerd. Zelfs dukdalf (z.a.) en fiets (z.a.) vallen erbij in het niet. Het woord komt onder meer voor in het Nederlands, Frans, Duits en Engels, en alle etymologische woordenboeken in die talen hebben er iets over te melden. En bijna allemaal iets anders. In de Nederlandse etymologische woordenboeken zijn de details soms per druk verschillend. Voeg daarbij de talloze artikelen uit letterkundige tijdschriften en je hebt een stapel papier ter omvang van een boek als dit.

Kernvraag in de discussie is altijd geweest: gaat begijn nu wel of niet terug op Lambert le Bögue, de priester uit Luik die omstreeks 1180 de gemeenschap der begijnen oprichtte? In de elf edities van Nederlandse etymologische woordenboeken die sinds 1844 zijn verschenen, scoort deze vraag drie keer 'mogelijk', vier keer 'waarschijnlijk' en vier keer 'nee'. Overigens waren er in het begin nog vier kandidaten in de race: 1. Begga, zuster van de heilige Geertruid; 2. Begga, dochter van Pepijn; 3. Begga, de vrouw van hertog Angijs van Brabant; en 4. de heilige Begga die omstreeks 695 in Namen leefde. Maar al deze Begga's zijn gelukkig in een vroeg stadium afgevallen.

Resteert Lambert le Bögue. Er is ooit een kloosteroorkonde vervalst om te bewijzen dat ruim honderd jaar voor hem al begijnen bestonden en zelfs heeft iemand eens z'n best gedaan om aan te tonen dat Lambert nooit heeft geleefd. De nieuwste theorie luidt dat begijn is ontleend aan beige, de natuurlijke kleur van wol. Aanhangers van armoedebewegingen, zoals de begijnen, droegen vroeger namelijk gewaden van ongekleurde wol.

Of de begijnen zich naar Lambert noemden of naar de kleur van hun gewaad zal wel nooit met honderd procent zekerheid kunnen worden uitgemaakt, maar één ding staat vast: Lambert heeft bestaan!

Pater Lambert leefde in de twaalfde eeuw in Luik. Volgens zijn biograaf had hij een spraakgebrek en moet zijn bijnaam Le Bögue worden begrepen als 'De Stamelaar'. Aanhangers van de 'beige-theorie' brengen zijn bijnaam in verband met deze kleur.

Lambert was timide, rijk en buitengewoon godvruchtig. Op zijn landgoed liet hij een kerk bouwen met daaromheen kleine huisjes waar vrouwen die het huwelijk hadden afgezworen in rust konden leven - de eerste begijntjes.

In Luik gaf men zich in die dagen over aan alles wat God verboden had. Lambert trok hiertegen fel van leer. Hij kreeg grote aanhang onder het volk, veel tegenstand van adel en kerk, en werd uiteindelijk gevangengezet. Teneinde een volksopstand te voorkomen werd Lambert naar Rome gestuurd. Zijn tegenstanders hoopten dat de paus hem voor gek zou verklaren, maar in plaats daarvan keerde hij terug met officiële toestemming te mogen prediken.

Ook nadat Lambert in 1182 in Luik was overleden, bleef de orde groeien. De begijnen verspreidden zich over heel Europa maar waren het talrijkst in de Nederlanden.

Hierin ligt mogelijk de verklaring waarom begijn in het Nederlands veel meer betekenissen kreeg dan in andere talen. Een kleine selectie: kwezel, zwartbonte koe, kindermuts, zemelaarster, schijnheilige en 'een fijn zusje'. Het werkwoord begijnen: enigszins wit, asgrauw worden (gezegd van zaden die beginnen te rotten). Dolle of blauwe begijnen: hoeren. De uitdrukking er is een begijn te geselen betekent: er is een oploopje. En er zijn talloze samenstellingen, zoals begijnedrol 'naam van zeker weekdier'.

Als Lambert le Bögue inderdaad zijn naam gaf aan begijn, dan heeft hij meteen het Nederlandse eponiemenrecord op zijn naam staan.