Ewoud Sanders

Journalist, taalhistoricus, trainer

Gepubliceerd op 19-02-2018

Dukdalf

betekenis & definitie

zware meerpaal, wreed tiran

De herkomst van het woord dukdalf houdt taalkundigen al eeuwen bezig.

Grofweg zijn er twee groepen te onderscheiden: zij die menen dat het woord is afgeleid van de eigennaam Duc d'Albe, de hertog van Alva, en zij die menen dat dit niet zo is. Om de zaken te vereenvoudigen: binnen de verschillende stromingen is bijna niemand het met een ander eens.

De onduidelijk gaat heel ver terug. Ferdinand Alvarez de Toledo, de hertog van Alva, leefde van 1507 tot 1582. Honderd jaar later, in 1681, schreef Wigardus Winschooten: 'Dukdalf, een gebroken woord, dog seer bekend in deese Nederlanden, als hebbende de naam van dien wreeden bloedhond Duc de Alba, Gouveneur van deese Landen.'

Het probleem zou hiermee in één keer opgelost kunnen zijn, maar Winschooten voegde er aan toe: 'Of de Amsterdamse dukdalven [...] haar naam daar van hebben, zoude ik niet derven voor vast iemand toezeggen, immers, dat is zeeker, dat de Schepen die zig daar aan koomen te stooten, groot ongemak koomen te lijden, en meenigmaal in de grond geboord sijn; niet anders als die Luiden, die zig tegen den Duc de Alba eertijds gekant hebben.'

Aanhangers van de theorie dat de dukdalf zo is genoemd naar de hertog zijn het oneens over het waarom.

Er zijn in de loop der tijd de volgende verklaringen gegeven: 1. de hertog was even hard en onverzettelijk als de dukdalf; 2. de meerpaal werd door de hertog uitgevonden of ingevoerd; 3. de scheepstrossen worden zo strak om de dukdalf aangesnoerd dat men er graag de hals van de IJzeren Hertog zelf in zag; 4. door de beweging van het water lijkt de paal voortdurend te duiken en ook Alva ontliep de strijd wel eens; en 5. de meerpaal werd naar Alva genoemd om hem te vernederen. Immers, op een afstand gezien hebben de palen 'eenigzins de gedaante van een mager menschenhoofd, dat uit een Spaanschen mantel steekt, terwijl de Ducdalven ondertusschen voorwerpen zijn, die met geene achting behandeld en geheel niet ontzien worden.'

De tegenstanders, en daartoe behoren de meeste moderne etymologen, wijzen erop dat het woord dukdalle of dukdalfe al sinds 1581 in Oost-Friesland voorkomt. Dus lang voordat voor het eerst werd beweerd dat Amsterdammers de meerpaal, om welke reden dan ook, naar de hertog noemden. Nee, het woord zou zijn vervormd uit docke (scheepsdok) en delfijn (meerpaal).

Maar zoals gezegd, ook over deze uitleg bestaat onenigheid.

Het is daarom een troost dat dukdalf vroeger nog een andere betekenis had, onomstreden afgeleid van de naam van de hertog. Het kon ook 'wreed tiran' betekenen. Zo schreef Justus van Effen in 1731 door 'een party wyven' te zijn uitgemaakt 'voor een tyran, voor een beul, voor een Ducdalf'.