boek betekenis & definitie

goed gevulde portemonnee

In 1968 voor het eerst aangetroffen, in een literaire tekst. In 1972 voor het eerst opgenomen in een Bargoense woordenlijst.

• Toen hij vroeg wat hij van me kreeg zwaaide hij levensgevaarlijk met z’n boek met poen. ¶ Haring Arie, Een leven aan de Amsterdamse zelfkant (1968), p. 123
• ‘Hebt u nog wat geld bij u?’ vroeg zo’n kerel. ‘Ja, ik geloof, dat ik nog wat heb,’ zei ik en gooide hem zo’n vuistdik boek met geld onder z’n snavel, je had z’n ponum moeten zien.’ ¶ M. van Amerongen, De roerige wereld van Pistolen Paul (1968), p. 61
• Die twee hadden niet gejokt, daar trekt me die boeren jongen me een loeris van een boek uit z’n binnenmelik, die gewoon afgelaaien zat met meiers en rooie ruggen, ik kreeg er gewoon de kriebels van in me strot. ¶ Haring Arie, Recht voor z’n raap (1972), p. 52