Wat is de betekenis van Begijn?

2020
2023-01-27
Algemeen Nederlands Woordenboek

Digitaal woordenboek van eigentijdse Nederlands

begijn

Het begrip begijn heeft 2 verschillende betekenissen: 1) vrouw in een gelovige lekengemeenschap. vrouw die lid is van een rooms-katholieke lekengemeenschap waar men samenleeft als geestelijke zusters, zonder evenwel een kloostergelofte afgelegd te hebben. Deze levenswijze stamt uit de middeleeuwen en is nu geheel of nagenoeg geheel verdwe...

Lees verder
2020
2023-01-27
Onze Taal

Genootschap Onze Taal | Woordpost

BEGIJN

UIT: Laatste begijn ter wereld overleden (NOS Nieuws, 14 april 2013) CONTEXT: In Belgi� is de laatste BEGIJN ter wereld overleden. De 92-jarige Marcella Pattyn overleed vannacht in haar slaap. : vrouw die haar leven aan het geloof wijdt maar niet tot een kloosterorde behoort UITSPRAAK: [buh-gijn] WOORDFEIT: Begijnen waren alleenstaande vrouwen...

Lees verder
2019
2023-01-27
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

begijn

begijn - Zelfstandignaamwoord 1. vrouw die, zonder een kloostergelofte af te leggen, met anderen gemeenschappelijk als geestelijke zuster leefde (vanaf begin der 13de eeuw), lekenzuster Verwante begrippen begarde, kwezel

Lees verder
2018
2023-01-27
Ewoud Sanders

Journalist, taalhistoricus, trainer

Begijn

vrome bewoonster van een begijnhof, schijnheilige, zwartbonte koe 'De naamsoorsprong der Begijnen is sedert twee eeuwen een groot twistpunt', schreef een letterkundige in 1858 in De Navorscher. En dat is hij nog steeds. Er is geen woord waarover zoveel is gediscussieerd. Zelfs dukdalf (z.a.) en fiets (z.a.) vallen erbij in het niet. Het woord komt...

Lees verder
2007
2023-01-27
Scheldwoordenboek

Geschreven door Marc de Coster © 2007

begijn

(in Vlaanderen) overdreven vroom iemand; kwezelachtige vrouw. Eigenlijk: zuster van een vrije geestelijke orde. Elke dag naar de mis en ter kommunie, en nadien gaan helpen in ’t gasthuis, ’s Namiddags arm menskens en zieken bezoeken, en ’s avonds thuis wat gitaar spelen, wat zingen en wat dansen. En soms wat schilderen of schrijve...

Lees verder
1998
2023-01-27
Woordenboek van populaire uitdrukkingen

Marc De Coster ©, 1998

Begijn

een - hebben zien geselen zie citaat. Informele uitdr. En het doet er natuurlijk niets toe, maar de gebrandschilderde ramen werden gemaakt door Gi- sela van Waterschoot van der Gracht. En het kerkinterieur was ontworpen door Philip Vingbooms. En wist u dat men tot nog niet zo lang geleden Amsterdammers kon horen zeggen: ‘Ik heb er een Begijn zien...

Lees verder
1997
2023-01-27
Bijbelse eponiemen

Dr. Apeldoorn en Dr. Beijer

Begijn

Lid van een bepaalde vrije kloosterlijke gemeenschap, weduwe of ongehuwde vrouw die, zonder een kloostergelofte af te leggen, met anderen gemeenschappelijk als geestelijke zuster leeft. Verder verstaat men onder een begijn: kwezel, zwartbonte koe, schijnheilige en kindermuts; in het Bargoens bedoelt men met een blauwe begijn een hoer. Het aantal et...

Lees verder
1994
2023-01-27
Lexicon Nederland en België

Lexicon van de geschiedenis van Nederland & België

Begijn

Begijn, katholieke weduwe of vrome maagd die met andere vrouwen een religieus leven leidde, dat het midden hield tussen dat van een non en van een leek. De vrouwen waren niet aan een kloostergelofte gebonden, maar leidden toch een leven van armoede, kuisheid en gebed. Aanvankelijk leefden ze in vrije gemeenschappen, later woonden ze bij elkaar in b...

Lees verder
1993
2023-01-27
Vreemd Nederlands

Jan Meulendijks

Begijn

(bagijn) ongehuwde vrouw of weduwe die zonder kloostergelofte een vroom gemeenschapsleven leidt

1981
2023-01-27
Geschiedenis Lexicon

H.W.J. Volmuller (1981)

Begijn

rooms-katholieke vrome maagd of weduwe die samen met anderen een religieuze levenswijze beoefende die het midden hield tussen de klooster- en de lekestaat, ook Klopje genaamd. De begijnen leven in begijnhoven onder leiding van een grootmeesteres of grootjuffrouw en beloven kuisheid. Hun naam, die ofwel teruggaat op het woord albigenzen, ofwel op de...

Lees verder
1973
2023-01-27
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

Begijn

v. (-en), rooms-katholieke vrome maagd of weduwe die samen met anderen een religieuze levenswijze beoefende die het midden hield tussen de klooster- en de lekestaat, ook klopje genaamd. De begijnen leven in begijnhoven onder leiding van een grootmeesteres of grootjuffrouw en beloven kuisheid. Hun naam, die ofwel teruggaat op het woord albigenzen, o...

Lees verder
1967
2023-01-27
Kerkelijk woordenboek

Termen uit het katholieke leven (1967)

Begijn

lid van een godsdienstige gemeenschap zonder eigenlijke kloostergeloften (zie geloften), voor vrouwen en weduwen. Zij wonen samen, afzonderlijk of gemeenschappelijk in Begijnhoven en trachten de → Evangelische raden op te volgen door een ernstig godsdienstig leven, handenarbeid, werken van liefdadigheid en gebed, en doen voor den duur v...

Lees verder
1955
2023-01-27
Vreemd woordenboek

Vreemde woorden woordenboek

Begijn

zie: bagijn

1950
2023-01-27
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Nederlands woordenboek (7e druk - 1950)

Begijn

zie BAGIJN.

1937
2023-01-27
Koenen woordenboek 1937

M. J. Koenen's Verklarend handwoordenboek

begijn

v. begijnen, begijntje (vroeger: lid ener min of meer vrije kloosterorde; Z.-N. algemene naam voor een lid v. verschillende vrouwelijke kloosterorden; vrome bewoonster van een begijnenhof; Z.-N. kwezel); zie klopje.

1937
2023-01-27
Woordverklaring

Dr. L.M. Metz - 1937

Begijn

Bagijn. De instelling der begijnen kwam het eerst in Nederland voor. Zij is een wereldlijke vereeniging van vrouwen, die zich aan den godsdienst wijden. Zulke vereenigingen zijn in de twaalfde eeuw ontstaan en hebben zich ook over andere landen verbreid. De begijnen vormen geen orde, al dragen ze ook nonnenkleeren. Ze zijn vrij om in de wereld teru...

Lees verder
1930
2023-01-27
Jozef Verschueren

Modern Woordenboek (1930-1961)

begijn

v. (-en; -tje) lid van een vereniging van geestelijke zusters, die zonder kloostergeloften te doen, gemeenschappelijk leven : daar is een – te geselen, gezegde, gebezigd bij een volksoploop, meestal om iemand af te schepen, die vraagt wat er gaande is. Enc. Over de oorsprong van de naam begijn wordt nog getwist. Bijna zeker is dat geen verban...

Lees verder
1914
2023-01-27
De vreemde woorden

De vreemde woorden, verklarend woordenboek door Fokko Bos.

begijn

begijn - v„ zie „bagijn”.

1906
2023-01-27
wink

Wink's vreemde woordenboek

Begijn

vr. VI., met andere zonder kloosterregel te samen levende geestelijke zuster.

1898
2023-01-27
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Begijn

BEGIJN, v. (-en), zie BAGIJN enz.