Weide betekenis & definitie

Grazige weiden, welig met gras begroeide weiden; (fig.) toestand van geluk en voorspoed.

Wanneer iemand van grazige weiden spreekt, is hij of zij gewoonlijk beïnvloed door de eerste verzen van een psalm van David: ‘De HERE is mijn herder, mij ontbreekt niets; / Hij doet mij nederliggen in grazige weiden; / Hij voert mij aan rustige wateren; / Hij verkwikt mijn ziel’ (Psalmen 23:1-3, NBG-vertaling; de NBV heeft hier ‘groene’ in plaats van ‘grazige’ weiden). Het kerkelijk lied dat hierop gebaseerd is, ‘De Heer is mijn herder’, met de regels: ‘Hij zal mij geleiden / naar grazige weiden’, is zeer bekend, zodat ook dat tot het gebruik van de uitdrukking kan hebben bijgedragen.

Bijbelcitaat: Statenvertaling (1637), Psalmen 23:2. Hy doet my nederliggen in grasige weyden; hy voert my sachtkens aen seer stille wateren.

Gebruiksvoorbeeld: De koeien kunnen zich dan in mei en juni weer tegoed doen aan het groen in de grazige weiden, terwijl de boeren in de loop van de maand juni het land weer op kunnen met de maai- en/of oogstmachine. (Meppeler Courant, feb. 1993)

Gebruiksvoorbeeld: De Ottomanen stelden het hiernamaals graag voor als grazige weiden waar hoeri’s, hemels van lijf en leden, met de wijn rondgingen en het stierf van de tulpen in het gras. (NRC, 26-11-1999, p.31)

Gepubliceerd op 11-05-2017